
Onlangs overleed stripgigant Dick Matena. Voor de niet-ingewijden, Matena was éen van de grootste (strip-)artiesten ons kleine landje rijk. Hij behoorde tot de illustere vijf namen: Marten Toonder, Dick Matena, Wilbert Plijnaar, Daan Jippes en Martin Lodewijk. De mannen die strip-kunst (en animatie) tot ver buiten onze grenzen op een hoger plan tilden.
Matena was in de eerste plaats Kunstenaar met de grote K én, bijna inherent daaraan, enfant terrible en alleskunner waardoor hij zich veel kon veroorloven. Zoals dergelijke artiest betaamt, in eigen tijd miskend en slechts beroemd in relatief kleine kring.
In Amerika had hij zonder enige twijfel multimiljonair geworden maar, hoewel ook daar succesvol, verbleef de eigenzinnige tekenaar in Nederland, België en Spanje en bleef altijd tekenaar om den brode. Het voert te ver al zijn artistieke triomfen hier te bezingen en daarom in plaats daarvan een aardig verslag waarin de geest van de kunstenaar hopelijk voor een ieder herkenbaar zal zijn.
Op maandag 2 Juni 2014 gaf hij, samen met collega Daan Jippes acte de présence in het miniscule Torpedotheater te Amsterdam en verhaalde daar, in een volstrekt ontspannen ons-kent-ons sfeer, over zijn beginjaren in het eerste, grote stripblad van Nederland; PEP. Volgend verslag van die avond geeft enig inzicht in een merkwaardige ambacht, Matena’s collegae en de tijd.
Journalist/schrijver Ger Apeldoorn sprak die avond dus met twee nestors van de Nederlandse stripwereld over hun tijd bij het legendarische stripblad; Daan Jippes en Dick Matena, en de verwachting was hoog. ‘Tante Anneke Dote’ op de eerste rij, oud zeer en sappige verhalen uit een roemrucht verleden. Hoewel, ‘roemrucht’… beide heren merkten direct al op dat die roem en erkenning hen vooral veel later ten deel viel. Ten tijde van hun productieve jaren bij het blad hadden zij eenvoudig geen idee van de ontvangst bij de lezers. Natuurlijk was er de jeugdige fanmail maar tot de grote kunsten werd hun werk nog geenszins gerekend.
De eerste ontmoetingen met hun publiek bleken zelfs enigszins ontmoedigend. Er was toch al die roemruchte ‘Belgische School’?! Wat zouden een paar Nederlandse jonge tekenaars in hemelsnaam kunnen toevoegen aan namen als Hergé, Franquin, Morris, Peyo, Jijé etc.?! Apeldoorn had een rustige avond. Met name Matena zat fijn op zijn praatstoel en een bedachtzame Jippes plaatste hier en daar een kanttekening. Matena noemde vooral de naam van Harvey Kurzman (MAD magazine) als zijn grote voorbeeld en tegelijk inspirator van de gehele Europese, komische strip. Voor Jippes was vooral de satirische, subversieve Mort Drucker (eveneens MAD magazine) belangrijke inspiratiebron geweest.
Beide heren werden al vroeg geconfronteerd met het fenomeen ‘strip’. Jippes nog op enige afstand. Hij stond met zijn “..snuit tegen de etalageruit” en vergaapte zich aan Kuifje, Tom Poes-weekblad en Robbedoes. Pa Matena was beroepswielrenner, kwam vaak in België en nam zodoende Suske & Wiske mee voor zijn zoon. Het verloop van beider carrière is bekend.
Interessant wordt het als ‘Het Vak’ ter sprake komt. Hoewel later op de avond door Matena ‘pseudokunst’ genoemd, onderstrepen beiden het oergevoel en belang aan van puur ‘plaatjes kijken’. Jippes stipuleerde dat, ongeacht de tekst, het tekenwerk en zekere entertainmentvalue dient te hebben en dat dat nogal eens wordt onderschat. Dat lijkt logica maar was, en ís, dat voor zijn vakgenoten niet altijd. Als ‘secondant’ van toenmalig hoofdredactrice Hetty Hagebeuk had hij het destijds lastig om materiaal van andere tekenaars te beoordelen. Bewerken soms zelfs!
Waar Matena zijn collega roemt om zijn gedetailleerd tekenwerk spreekt hij met ironisch, doch oprecht afgrijzen over diens ‘aanpassing’ op de covertekening van Maurice de Bevere (tekenaar van Lucky Luke en beter bekend onder zijn artiestennaam Morris) en een ‘herschikking’ van een cover getekend door Hans Kresse, een onder tekenaars ook al zo’n heilige naam. “Hoe haalde je het in je hoofd!”. Een stoïcijnse Jippes verklaarde vervolgens mild glimlachend dat dat gewoon bij zijn werkzaamheden hoorde. De aanvankelijk gebelgde Morris wilde later, bij een bezoek aan de PEP-redactie, vooral graag kennismaken met ene Daan Jippes wiens werk hij zo hogelijk waardeerde.
Waar men op een dergelijke avond al snel komt te vervallen in een ‘ouwe-lullen-weten-het-beter-gesprek’ kwam Matena met een zeer steekhoudende visie die hij altijd is blijven huldigden. Er moet ‘school’ te worden gemaakt. Tekenaars dienen in éen consistente stijl series te maken om het voor het publiek interessant te maken series te volgen en de interesse voor de strip als genre overeind te houden. Lichtend voorbeeld was bijvoorbeeld eerder genoemde Morris, maar ook Franquin, Hergé en al die andere groten die de Belgische school vormden. Mensen die beschikten over een brede vakkennis en kunde en die zich beperkten tot éen constante, hoogwaardige stijl. Hijzelf ontdekte hoe moeilijk het was geweest na zijn jaren bij Toonder om een échte eigen stijl te ontwikkelen.
Die ontbrekende stijlontwikkeling, het gebrek aan visie en een duidelijke redactionele leiding maakten van de PEP-tijd stuurloze, zwalkende jaren. Reden onder meer voor de uitval van Matena naar Jippes toen deze destijds aankondigde naar Amerika te gaan verhuizen. Jippes had jarenlang voor allerlei bladen gewerkt, de lay-out verzorgd voor Libelle, Revue, Avenue etc., veel illustratief werk gemaakt en ge-ghost voor andere tekenaars (covers op basis van stripfiguren van anderen zoals Asterix en de Flintstones). Zijn eigen magnum-opus ‘Thee voor twee’ kwam slechts heel traag tot stand, mede door die diversiteit aan werkzaamheden. Jippes benadrukte deze avond dat zijn stap naar Disney, en dan vooral het storyboarden, zijn bevrijding was geweest en de weg naar efficiënter werken.
Voor “..werk dat niemand zag” (storyboards dus) kon hij al zijn talenten maximaal inzetten. Hij ging sneller én beter tekenen. Het thema ‘school maken’ zat bij Matena nog steeds diep. De hem toegedichte ‘veelzijdigheid’ vermoeid hem alleen maar. Hij ziet die ‘kwaliteit’ eigenlijk vooral als een streep door zijn definitie van tekenaar.
Ook de toenmalige generatie striptekenaars die klaagden over kleine verkoopaantallen en luie uitgevers hield hij voor een écht eigen stijl te ontwikkelen en daarmee veel meer seriematig te werken. Fijn voor het publiek maar óok goed voor de industrie die in Nederland toch al heel klein is. Weer dat begrip ‘consistente productie’, veel strandt in goed bedoelde experimenten en op zichzelf staande ‘graphic novels’. Een interessant statement voor wie de laatste decennia de ontwikkeling van de Nederlandse strip een beetje gevolgd heeft.
De zelfkritiek was die avond overigens ook niet van de lucht. Geconfronteerd met prachtige PEP-covers (Grote Pyr) en splashpages van midden jaren zeventig wuift Matena dit weg als zijn allerslechtste werk! “Alles zwabbert, slechte anatomie, alcoholgebruik in die tijd duidelijk zichtbaar!”. Jippes benadrukt juist de effectiviteit en vraagt Matena om nadere uitleg. Diens simpele antwoord was kort maar krachtig; “Omdat het veel beter kon”.
Even hangt de geest van zijn vroegere mentor Marten Toonder in het kleine zaaltje. Met het klimmen der jaren bestempelde Toonder ook veel van zijn oudere werk als ‘broddel’ en ‘jeugdzonden’. Een serieuze avond voor de incrowd dus waar ook gelachen werd om de destijds 14-jarige Wilbert Plijnaar (later eveneens naar Amerika vertrokken) die een 30-jarige Dick Matena terecht wijst, de reis van een oude lichtbak van Jippes die via Robert van der Kroft bij een privé-verzamelaar terecht kwam én een geweldige anecdote die helaas binnen vier muren moest blijven (op straffe van huisbezoek van Matena en Jippes met knuppel).
Jammer, maar dan had u er maar, net als in de seventies, zelf bij moeten zijn geweest.
Meld je hieronder gratis aan voor Joop NL. Iedere donderdag een selectie opvallende nieuwsverhalen, opinies en cartoons in je mailbox.