
De armoede onder ouderen was na de Tweede Wereldoorlog zo groot dat tijdens het kabinet van minister Drees Sr. in 1957 de Algemene Ouderdomswet (AOW) werd ingevoerd. Veel ouderen van 65 jaar of ouder hadden van jongs af hun geld in zware beroepen verdiend, zoals fabrieks- en havenarbeiders. Een werkweek bedroeg zeker 48 uur en huisvrouwen hadden vaak veel kinderen te verzorgen, maar geen wasmachine, koelkast, gasfornuis of stofzuiger zodat het werk in huis veel tijd kostte. Tijd en geld om een pensioen op te bouwen was er niet. Vandaar dat de heel bescheiden uitkering van 1.338 gulden per jaar voor een echtpaar en 804 gulden voor een alleenstaande met grote dankbaarheid werd ontvangen.
Bij het begin van de AOW was de omvang van het aantal AOW’ers nog te overzien. Mensen werden gemiddeld veel minder oud en haalden vaak de pensioengerechtigde leeftijd niet. In 1960 waren er daarom maar rond de half miljoen AOW’ers. In 1980 waren het er één miljoen en in 2000 circa twee miljoen. In 2026 begint het aardig richting de vier miljoen te lopen en in 2040 kunnen het er misschien wel vijf miljoen zijn. In 1960 bedroeg het aantal werkenden circa 6 maal het aantal AOW’ers. In onze tijd is dit circa 2,5 maal en voor 2040 wordt verwacht dat dit ruim 2 maal is. Een steeds kleiner aantal werkenden moet financieel voor een steeds groter aantal ouderen zorgen.
Een enorme overdracht van minder naar meer welgestelden en van werkenden naar niet (meer) actieven
De AOW kostte anno 2019 nog ‘maar’ 37 miljard per jaar. Maar anno 2026 is dat al opgelopen tot tegen de 60 miljard. Om dit te kunnen betalen, wordt door werkenden een premie van circa 20% betaald over het inkomen tot circa 38.000 euro. Omdat de AOW in de laagste schijven van de inkomstenbelasting geheven wordt, dragen werkenden met de laagste inkomens procentueel het meeste bij aan de AOW-premies. Maar dat is nog niet alles: ondanks de forse bedragen die de Belastingdienst aan AOW-premies ontvangt komt de overheid nog tekort en komt er uit de algemene middelen een rijksbijdrage die meer dan het dubbele is van wat de premies AOW opleveren. Ook die rijksbijdrage moet uiteraard door de belastingbetalers opgehoest worden. Iemand met een inkomen van € 30.000 bruto per jaar moet daardoor nu al tot wel € 6.000 per jaar voor de AOW’ers betalen. En wordt nog meer.
Naar mijn idee is het onrechtvaardig en dus onjuist dat een veertiger die in de zorg werkt en 45.000 euro verdient, nog zeker 25 jaar meebetaalt aan de AOW van ouderen met een afbetaald huis van 700.000 euro, een inkomen van (ver) boven de 45.000 euro en meer dan voldoende spaargeld. De vuilnisman draagt bij aan de AOW van de gepensioneerde gezagvoerder van de KLM en de politie-agent doet hetzelfde voor de succesvolle advocaat die als gepensioneerde met wat commissariaten nog een half tonnetje per jaar bijeen harkt. Veel ouderen zouden makkelijk zonder AOW kunnen, waaronder een groep die het niet eens zou merken als ze geen AOW zouden krijgen. AOW voor deze rijken en rijkeren staat wel erg ver af van de noodzaak van een oudedagsvoorziening ter bestrijding van de armoede onder ouderen in de jaren vijftig.
Het is evident dat het overhevelen van geld van de lagere inkomens naar niet-actieven die het strikt genomen niet nodig hebben onrechtvaardig is. Maar het zorgt ook voor een aantasting van de economie en van de toekomst van Nederland. Het VVD-credo “werken moet lonen” wordt geweld aangedaan. En ook het linkse uitgangspunt: “de sterkste schouders moeten de zwaarste lasten dragen” gaat hier zeker niet op. Het geld gaat op aan consumeren en erfenissen en niet aan investeringen in start-ups, onderwijs en techniek.
Hierbij dient aangetekend te worden dat AOW geen recht is. De AOW-premies die men betaalt komen niet in een spaarpot en vormen geen pensioen voor de oude dag. De AOW is historisch gesproken geen verzekering waarvoor men tijdens het werkende leven premies betaalt, maar een basisvoorziening volgens het “omslagstelsel”. De huidige generatie werkenden betaalt niet voor zichzelf, maar voor de generatie ouderen met een AOW. Dat is al vanaf 1957 het geval.
Nu de AOW onbetaalbaar zal worden omdat de verhouding tussen het aantal ontvangers van AOW en de betalers uit balans is geraakt, kan het stelsel van de AOW niet meer ontzien worden.
Wat betekent het deels afschaffen van de AOW?
Indien voorzichtigheidshalve wordt aangenomen dat 30% van de AOW’ers voldoende eigen inkomen en vermogen heeft om ook zonder AOW een geriefelijk leven te hebben en 10% van de AOW’ers gemiddeld met de helft toe kan, is een besparing op de AOW van meer dan 20 miljard per jaar of meer mogelijk. Dit bedrag zal in de praktijk waarschijnlijk wat lager zijn, bijvoorbeeld door een lagere opbrengst aan inkomstenbelasting en aan erfbelasting. Het indicatieve bedrag van 20 miljard is wel een goede indicatie van het belang van de noodzakelijke AOW hervorming.
Een besparing van 20 miljard per jaar is heel andere koek dan de 1,7 miljard die de schatkist in 2017 bespaarde door het verhogen van de AOW-leeftijd. Een niet onaardige bijkomstigheid is dat de discussie over zware beroepen kan komen te vervallen. Als alleen mensen die AOW echt nodig hebben deze krijgen, dan vallen daar waarschijnlijk alle zware beroepen onder en kan de leeftijd voor de AOW eventueel weer terug naar 65. Ook is er geld genoeg om de circa 75.000 AOW’ers die onder de armoedegrens leven te steunen.
Stel dat de 20 miljard per jaar besteed wordt aan de 3 miljoen werkenden met de laagste inkomens dan gaan die er gemiddeld 6.000 euro op vooruit. Daar staat tegenover dat circa één miljoen rijkere ouderen er tussen een paar duizend euro tot bijna 20.000 euro op achteruit gaan.
Een andere en meer toekomstgerichte bestemming is het investeringsplatform van Peter Wennink van ASML. Die wil investeren in kennis, technologie en innovatie. Voor dit platform is minstens 100 miljard in totaal nodig en moet de toekomst van Nederland zeker stellen. Deze investering lijkt mij beter dan onze toekomst op te laten eten.