
Terwijl de Nederlandse regering druk campagne voert voor noodpakketten, staat in België al dagen een gebied van zo'n 3.000 hectare in brand. De brand in de Hoge Venen is de grootste die het land in minstens een eeuw heeft meegemaakt. Honderden brandweerlieden zijn aan het werk, geholpen door militairen, buitenlandse hulptroepen en boeren uit de omgeving.
Heel Europa brandt deze zomer. In Spanje, Portugal, Frankrijk, Griekenland en Kroatië zijn mensen geëvacueerd en huizen en natuurgebieden verloren gegaan. En steeds gebeurt er iets dat in onze discussie over noodpakketten merkwaardig weinig aandacht krijgt: mensen gaan elkaar helpen.
In het Spaanse Villamanta bijvoorbeeld helpt een groep van zo'n twintig vrouwen deze zomer mensen die voor de bosbranden moesten vluchten. Die groep ontstond drie jaar geleden tijdens de verwoestende DANA-overstromingen. Toen hielpen ze hun dorp door de overstroming heen. Nu staan ze er weer, maar ditmaal voor mensen die door het vuur hun huis moesten ontvluchten. Dat is misschien een nuttiger vorm van voorbereiding op een ramp dan een doos blikken bonen onder de trap.
De Nederlandse overheid wil dat ieder huishouden 72 uur zonder water, stroom, internet en winkels kan functioneren. Inmiddels zegt 44 procent van de Nederlanders een noodpakket te hebben. De Europese Commissie adviseert hetzelfde. Duitsland adviseert zelfs tien dagen voorraad, Zweden minstens een week. Er zit een merkwaardige individualistische gedachte achter: zorg dat jij jezelf kunt redden. Want wat gebeurt er wanneer er echt iets misgaat?
Stel dat je voor drie dagen water en voedsel hebt opgeslagen. Je kinderen hebben dat niet gedaan en staan voor de deur. Daarna de buren. Vervolgens die oude vrouw een paar huizen verder die nooit naar het nieuws kijkt en niet begrijpt waarom de stroom is uitgevallen. Zeg je dan: jammer, had u maar een noodpakket moeten kopen?
Op mijn finca op Mallorca heb ik zelf een buitenproportioneel noodpakket. Groenten, fruit, olijfolie, honing, noten, graan, water, zonnepanelen en batterijen. Maar in het dorp wonen genoeg mensen die geen land en nauwelijks financiële reserves hebben. Als het werkelijk misgaat, kan ik een muur om mijn land bouwen en een jachtgeweer kopen om de have-nots bij mijn tomaten weg te houden. Maar ik zie mezelf dat nog niet doen.
Ik durf het bijna niet te zeggen, maar we kunnen op dit punt misschien iets leren van de Verenigde Staten (zolang het niet wordt wegbezuinigd). FEMA, de Federal Emergency Management Agency, propageert niet alleen noodvoorraden. Het stimuleert ook Community Emergency Response Teams. Burgers worden getraind om na een ramp hun buren te helpen, gewonden te verzorgen, kleine branden te blussen en mensen te zoeken totdat professionele hulp beschikbaar is.
Politicoloog Daniel Aldrich onderzoekt al jaren waarom sommige gemeenschappen rampen beter doorstaan dan andere. Hij verloor tijdens de orkaan Katrina zelf vrijwel alles. Overheid en verzekeraars hielpen eerst nauwelijks. Familie, vrienden, kennissen en zelfs vreemden deden dat wel. Later onderzocht hij onder meer de Japanse aardbeving en tsunami van 2011. Ouderen en kwetsbare mensen werden gered omdat iemand wist waar ze woonden en naar hen ging zoeken. Je sociale netwerk is tijdens een ramp waardevoller dan de inhoud van je voorraadkast.
Oorlogen maken dat nog duidelijker. In Oekraïne zat Liliia met haar familie en twaalf buren wekenlang in een koude, donkere schuilkelder. Ze bouwden samen een primitief fornuis, zochten eten en water en kookten om de beurt. In Gaza sprak UNICEF een gezin dat zelf nauwelijks voedsel had, maar vijf andere gezinnen had opgenomen. Ze deelden zelfs hun laatste stukken oud brood.
Dan klinkt een noodpakket voor twee personen ineens nogal ridicuul. We moeten dus vooral véél voorraad houden. Water, voedsel, medicijnen, batterijen. Hoe meer hoe beter. Genoeg om met anderen te delen. Maar misschien zou onze overheid er goed aan doen niet alleen te vragen wat er in onze voorraadkast ligt, maar ook wie er in onze straat woont, wie alleen is, wie medicijnen nodig heeft, wie kan koken, wie helemaal niets heeft.
Want als de ramp werkelijk komt, gaat het waarschijnlijk minder om hoeveel blikken bonen je hebt opgeslagen, en meer om met wie je bereid bent ze te delen.