
Heel de middag goe eten
Voor de gastronomische cryprogrammer valt aan deze titel weinig te beleven. De woorden schelen maar vier letters maar betekenen nagenoeg hetzelfde.
Een stukje over lekker eten en échte gastvrijheid kan alleen maar over België gaan en schrijft zich feitelijk vanzelf. De enige toevoeging is mijn emotionele belevingswaarde.
Vooral de vanzelfsprekendheid van een goede gastrogastvrijheid die de Belg zo kenmerkt blijft een verademing. Álles is hier normaal; het onthaal, de service, de kennis van zaken, de toon en die ogen die alles zien. Nederigheid leert men in Belgenland;“Smaakt het?” of “Alles in orde?” kan men slechts met een bedeesd “Meer dan..” beantwoorden.
Hier is echter ook niets wat het lijkt. Laat die wrakkige ‘wc-deur’, vuil en beduimeld, vooral niet ongeopend want die kan zomaar leiden naar een ultrahip concept (brunchbar) waar men gebakken eitjes met yoghurt, spek, chiliboter en toast serveert. Mét dukkah, Turkse kruiden als geinige twist.
En wat gedacht van het geweldige Bookz&Booze? Mooie whisky’s en dito boekskes in één en dezelfde winkel, waar boek en drank nog logisch geordend staan ook!
Natuurlijk herbergt een grote stad als Gent ook onvervalste touristtraps waar men mosselen van Prinse&Dingemanse met verse friet belooft en vervolgens miezerige tweederangs garnituur mosseltjes serveert (zeker en vast geen Prinse&Dingemanse) en een miserabel mandje frieten wordt neergepletterd die uit gebakken puree bestaan. Het personeel spreekt buitensluiterig Parsi met elkaar en een flardje Engels/Hollands met de gast, serveert bovendien wat men zelf niet eet en gooit er met de pet naar… helaas, net als zo vaak in Nederland.
Gelukkig zijn het hier echter vooral de uitschieters die zo welig tieren.
De ultraluxe, strakke uitstraling van een gastrobar wat straten verder, doet gelukkig helemaal niets af aan de sfeer en het gebodene. Een lunchzaak die bovendien vanaf 15.00 pannekoeken en wafels serveert (“Als het niet te druk en daar tijd voor is..”) kan bij mij al niet meer stuk.
Het professionalisme in een achterafstraatje in Gent staat weer eens in schril contrast met op willekeurige A-locatie gelegen Nederlandse nering met een ster of twee. Voor een prijs die ik niet durf noemen (36,50) worden hier duif met rode kool en appeltjes, cantharel, amandelkroketjes en hazelnootjus geserveerd, met een zwierige vanzelfsprekendheid waarvan de mens een beetje stilvalt.
Anders dan in ons land is vooral die onverbloemde, bijna lyrische beschrijving van gebruikte vleessoorten: “Als vaste waarde zetten wij hertenkalf op de kaart” en “Stoofpot van oude melkkoeien in rode wijn” (het tedere ‘grasbuikje’ staat overigens voor pony-vlees). Beschrijvingen waar Nederlanders eenvoudigweg te empathisch voor zijn of Belgen gewoon te nuchter.
Met een fijn glas bier (Rodenbach) voor de eerste dorst informeer ik naar een bijpassende wijn voor dat hoofdgerecht, zou een glas rosé de juiste keuze zijn? “Allee, een pinot noir is ook een mooi glas lichte rode wijn bij de duif..”. Een welgemeend advies én een lichte ‘slap on the wrist’ in één zin. Leuk dat die Hollandse mijnheer wil meedenken maar hier kennen wij de wijnlijst uiteraard als onze broekzak en daarom pareren we die vraag discreet.
Ze hoeft er niet eens moeite voor te doen. Ook later als ik, wederom te gulzig, nog een glaasje bestel wordt er ‘adviserend geïnformeerd’: “Mijn collega gaat zo met de soep komen, zeg ik dat zij nog even wacht?”. Subliem de bal in vragende vorm bij de gast neergelegd met weer die bijna aandoenlijke benadering van de totale professional. Een attitude die ons land vrijwel verdwenen is.
Op mij na, geen touristen hier, wel veel oudere Belgische gasten. Zonder uitzondering keurig gekleed en gecoiffeerd. Tikje boven tenue de ville, van polshorloge tot veters gekleed, ook al is het 15.00 en eet men pasteitjes met friet. Men is op resto.
De helft van de cliëntèle zit voorbeeldig achter een mooi glas wijn, een fijne cava danwel een ferme pint. De anderen bestellen, opvallend, vooral Cola. (Navraag bij een van de eigenaars leert dat zelfs in België het alcoholgebruik behoorlijk terugloopt).
Aan de overzijde van mijn tafel dommelt een tachtiger achter zijn Westmalle Tripel kort weg. De kruimels en zijn verfrommeld servet zijn de stille getuigen van een met smaak genoten lunch. Als een serveerster de aangeklede koffie voor hem neerzet slaat hij met rode slaapkonen gelukzalig de ogen open en leest verder in De Gentenaar.
Een Frans echtpaar krijgt de soep aan tafel uitgeserveerd door een jonge chef (mede-eigenaar) die alle tijd van de wereld neemt voor zijn gasten; “..lekker eten, van de mensen en voor de mensen” zegt men daar zelf.
Dan maakt zich een groepje los van de grotere tafel en groet de oudere man achter zijn Gentenaar, “Dag Joubert..”. Men kent elkaar, hier eten wijkgenoten. Tot mijn grote vreugde zie ik het bejaarde groepje buiten oversteken naar een aan de overkant gevestigde, zeer gelauwerde top-chocolatier/patissier. Als kleine kinderen kleven ze even verlekkerd aan het etalageraam en gaan dan gearmd, vol vrolijke verwachting, naar binnen.
(Zéér) lokaal koekske tot slot, bijkt de Gentse mastel (“Geen taart, wel vree lekker” ), een ‘armenkoek’ die zijn origine heeft in de wijk Patershol. Kruising tussen een plat geslagen oliebol en een bolus. Enfin…’tis hier goe.