
Als Brussel zijn zin krijgt, worden publieke aanbestedingen straks groen, schoon en vooral Europees. Dit klinkt aantrekkelijk. Minder afhankelijkheid, meer controle en strategische autonomie. Achter de slogan ‘Made in Europe’ ligt echter een ongemakkelijke waarheid: Europa produceert veel minder zelf dan het denkt en zeker niet de grondstoffen waarop die industrie draait. Europa wil strategische autonomie, maar die is zonder Afrikaanse industriële capaciteit onhaalbaar.
De recente Industrial Accelerator Act (IAA) is daar een goed voorbeeld van. Het is een ambitieus plan om de Europese industrie te vergroenen en onafhankelijk te maken. Alleen mist het precies datgene wat nodig is voor versnelling: een stabiele aanvoer van bewerkte grondstoffen. Zonder deze basis blijft ‘Made in Europe’ vooral een label op het eindproduct en niet op de keten die eraan voorafgaat.
Europa wint nauwelijks zelf mineralen en heeft zijn eigen mijnbouw sterk beperkt door duurzaamheidsregels. Dit is een politieke keuze. Het is begrijpelijk, maar het heeft gevolgen. Tegelijkertijd heeft Europa niet genoeg raffinagecapaciteit. Zelfs als de toegang tot grondstoffen veiliggesteld zou zijn, kunnen deze hier vaak niet op grote schaal worden verwerkt tot industriële inputs.
Oog voor raffinage
Het resultaat is afhankelijkheid. Niet zozeer van grondstoffen, maar van landen die ze verwerken. China beheerst een groot deel van die verwerkingscapaciteit wereldwijd. Zo verwerken ze in het Verre Oosten naar schatting 60-80% van de kritieke mineralen. Wie het raffineren in handen heeft, domineert de keten en daarmee een aanzienlijk deel van de geopolitieke ruimte van anderen.
Europa probeert dit gat te dichten met nieuwe wetgeving en investeringen. Zal dit de werkelijkheid echt veranderen? Vergunningstrajecten duren lang, energie is duur en er is groeiende weerstand tegen nieuwe industrie. Het is goed mogelijk dat de doelstellingen niet worden gehaald. Europa moet naar het Zuiden kijken voor een partner in de huidige veranderende wereldorde.
Kijk ook eens naar het Zuiden
Aan de andere kant van de smalle Straat van Gibraltar ligt een goede partner. Het is geen nieuws dat Afrika rijk is aan grondstoffen, maar wist je dat deze grondstoffen daar nauwelijks worden verwerkt? Afrikaanse landen willen al langer meer doen dan alleen ruwe grondstoffen exporteren. Ze willen waarde toevoegen, banen creëren en industrialiseren. Hier raken Europese en Afrikaanse belangen elkaar, in theorie althans.
In de praktijk blijft het vaak bij intenties en partnerschappen op papier. De Europese Unie heeft via initiatieven als Global Gateway en strategische grondstoffenakkoorden de juiste woorden gevonden. Maar woorden bouwen geen fabrieken. Industriële ontwikkeling vereist tijd en voorspelbaarheid. Je hebt investeringen, infrastructuur, energie en kennis nodig. Maar ook iets anders: afzetgaranties. Wie investeert, wil weten dat er een markt is. Als Europese partijen meebetalen aan verwerkingscapaciteit in bijvoorbeeld Zambia of de Democratische Republiek Congo, moeten zij ook bereid zijn om de output af te nemen. Dit moet liefst voor langere tijd en onder afgesproken voorwaarden, niet als ontwikkelingshulp, maar als onderdeel van een gezamenlijke industriële strategie.
Dat klinkt misschien minder ideologisch zuiver dan ‘strategische autonomie’, maar het is realistischer en eerlijker. China begrijp dit spel al langer. Het combineert infrastructuur, financiering en afnamegaranties in één pakket. Dit model wordt in Europa vaak bekritiseerd, soms terecht, maar het biedt wel iets wat Europese voorstellen vaak missen: duidelijkheid. Als Europa een alternatief wil bieden, moet het minstens zo concreet zijn. Dit betekent subsidies waar nodig, leningen die risico’s afdekken, investeringen in energie en transport en vooral een serieuze rol voor Europese bedrijven als afnemer.
Interdependentie met Afrika
Dit vraagt ook iets van Europa zelf. Minder versnippering en meer coördinatie. Minder losse instrumenten en meer samenhang. Het industriële beleid, ontwikkelingsbeleid en handelsbeleid moeten elkaar versterken in plaats van langs elkaar heen te werken. Deze andere manier van denken vraagt dat we verder kijken dan de Middellandse Zee en anders denken over 'Afrika'. De keuze waar Europa voor staat is geen simpele tegenstelling tussen ‘zelf doen’ en ‘afhankelijk zijn’. Die tegenstelling is verouderd. De echte keuze is tussen een smalle interpretatie van autonomie en een bredere, eerlijkere vorm van wederzijdse afhankelijkheid: interdependentie.
Het EU-beleid moet de industrialisering van Afrika niet alleen als een ontwikkelingsdoelstelling benaderen, maar als een verlengstuk van haar industriële strategie dat ook voordelen voor Europa oplevert. Als Europa en Afrikaanse landen erin slagen samen verwerkingscapaciteit op te bouwen, ontstaan er ketens die robuust, divers en eerlijk zijn. Afrikaanse economieën krijgen meer grip op hun eigen ontwikkeling. Europese industrie krijgt toegang tot essentiële materialen zonder te sterk afhankelijk te zijn van één speler. Dan moet Europa wel bereid zijn om die stap echt te zetten: richting concrete, langdurige betrokkenheid. Zonder Afrika blijft ‘Made in Europe’ een belofte die je niet kunt inlossen. Met Afrika kan het een strategie worden die werkt.
De Europese Commissie moet in de herziening van het Global Gateway-programma expliciet een industrieel partnerschap met de Afrikaanse Unie opnemen, waarin Europese bedrijven via langlopende afnamegaranties investeren in raffinage- en verwerkingscapaciteit in Afrikaanse landen.
Jos Hummelen maakt met Joeri Nortier De Africast.
Meld je hieronder gratis aan voor Joop NL. Iedere donderdag een selectie opvallende nieuwsverhalen, opinies en cartoons in je mailbox.