
Er is iets opvallends aan de manier waarop wij naar vrouwen luisteren als ze zich uitspreken over grensoverschrijdend gedrag. We luisteren niet alleen naar wat gezegd wordt, maar we luisteren vooral naar hoe het klinkt, hoe het eruitziet en hoe goed het past binnen onze verwachtingen van pijn. We zien het in de zedenzaak rond Ali B en de manier waarop de vrouwen, die zeggen door hem aangerand en/of verkracht te zijn, hun geloofwaardigheid moeten verdienen door zich op de “juiste” manier te gedragen. Die “juiste” manier is dat ze daarna onmiddellijk afstand neemt en niet meer lacht. Dat ze zichtbaar lijdt. Dat haar verhaal consistent is, en haar emoties en haar gedrag passend zijn. Innerlijk leed moet zichtbaar en coherent zijn. Als zij afwijkt van dat beeld, dan is er reden om aan haar verklaring te twijfelen. Vrouwen moeten hun geloofwaardigheid verdienen door zich op de “juiste” manier te gedragen.
Maar het innerlijke leven van iemand die iets ingrijpends heeft meegemaakt, is lang niet altijd herkenbaar in de vormen die wij verwachten. Wat vanbinnen chaotisch, beangstigend en overweldigend is, kan zich aan de buitenkant manifesteren als kalmte, beleefdheid of zelfs vrolijkheid. Iemand die zich onveilig voelt zoekt naar manieren om met de situatie om te gaan. Ons autonome zenuwstelsel is daarin leidend. Soms betekent dat vechten of vluchten, maar soms ook aanpassen, verzachten, normaliseren.
Er gebeurt nog iets anders. Ali B beschrijft zichzelf als “symbool van de #metoo-discussie”. Daarmee verschuift het verhaal ongemerkt. Hij wordt niet langer alleen een mogelijke dader, maar ook een drager van een collectieve last. Iemand die, in zijn eigen beleving, wordt geraakt door krachten die groter zijn dan hijzelf.
Iemand die wordt geconfronteerd met beschuldigingen, die zijn zelfbeeld of imago bedreigen, zoekt soms naar manieren om zijn integriteit te behouden. Ze doen dat door te ontkennen (“ik ben onschuldig, het is niet gebeurd”), door aan te vallen (“de vrouwen zijn niet geloofwaardig, ze willen me kapotmaken”), en door zichzelf te profileren als degene die lijdt onder de situatie. De vermoedelijke pleger claimt dan het slachtofferschap. In de psychologie wordt dit samengevat met DARVO: Deny, Attack, Reverse Victim and Offender.
Ineens staat niet alleen haar geloofwaardigheid ter discussie, maar ook zijn slachtofferschap centraal.
Wat hier zo intrigerend aan is, is dat beide perspectieven (dat van degene die beschuldigt en dat van degene die zich verdedigt) een beroep doen op ons vermogen tot empathie. En empathie vraagt om richting, die wordt bepaald door wat wij het meest herkenbaar vinden. We zoeken naar gedrag dat ons geruststelt in de overtuiging dat we begrijpen wat er is gebeurd.
Wat daarbij soms uit beeld raakt, is dat beide perspectieven een ongelijkwaardige uitgangspositie hebben. Vrouwen spreken historisch gezien vanuit een positie waarin hun woorden vaker ter discussie staan. Emotionele ambiguïteit, tegenstrijdig gedrag of vertraagde reacties passen minder goed in ons rechtssysteem dan wat als “rationeel”, “consistent” of “geloofwaardig” wordt gezien.
Zo wordt het gedrag van Ellen ten Damme na de gebeurtenis (lachen, doorgaan, contact houden) nauwkeurig geanalyseerd, gewogen en gewantrouwd.
Zolang we vasthouden aan het idee dat innerlijk leed zichtbaar en coherent moet zijn, zullen we blijven twijfelen aan verhalen die juist waar kunnen zijn. Kunnen we verdragen dat iemand, die iets ernstigs heeft meegemaakt, er niet noodzakelijkerwijs uitziet als iemand die iets ernstigs heeft meegemaakt? En kunnen we een vrouw geloven zonder dat zij eerst moet bewijzen dat ze “juist” gedrag vertoont?
Meld je hieronder gratis aan voor Joop NL. Iedere donderdag een selectie opvallende nieuwsverhalen, opinies en cartoons in je mailbox.