
De op drie na grootste doodsoorzaak in ons deel van de wereld heet ‘De ziekte van Alzheimer’. Nauwelijks wreder lot denkbaar dan gevangen te zijn in een nachtmerrie waaruit men nooit meer helemaal wakker wordt. Josse de Pauw en Peter van den Begin spelen in de film ‘Zondag de negentse’ op magistrale wijze twee broers waarvan de ene getroffen wordt door de gevreesde ziekte en de ander uit is op zijn zo spoedig mogelijk overlijden teneinde een erfenisje op te strijken. Dat dramatische kapstokje is slechts een rode lijn want regisseuse Kat Steppe richt haar documentaire blik vooral op het verschijnsel Alzheimer in menselijke vorm.
De ümwelt van de twee hoofdrolspelers betreft dan ook een verzorgingshuis waar échte patiënten figureren. Dat geeft niet alleen een benauwend gevoel van authenticiteit, het verschaft zo nu en dan ook die noodzakelijk bevrijdende lach.
Lachen om volwassen mensen die vervallen in kinderlijke staat, zich nauwelijks nog kunnen uitdrukken of een grote mate van apathie tonen. Dat mag. Het is maar film. Tegelijkertijd lachen we uit ontroering, uit enig ongemak. De patiënten vormen een gemeenschap die nauwelijks is te duiden als volwassen of kinderlijk. Zij bewonen een niemandsland dat ergens tussenbeide laveert en misschien al in een nog volgende dimensie.
Het verlies van elementaire verstandelijke vermogens boezemt ons wellicht juist daarom zoveel angst in omdat het simpelweg het enige is dat we hebben in ons fragiele bestaan. Onze intelligente ratio tegenover een zee van chaos, waanzin en onbegrip.
In haar boek ‘Het grote vergeten’ van Dr. Annelies Furthmayr-Schuh haalt zij de moleculair bioloog Konrad Beyreuther aan die midden tachtiger jaren al veel onderzoek deed en constateerde dat zich; “..al dertig jaar voor het uitbreken van de ziekte van Alzheimer ‘asresten’ in de hersenen voordoen, die wijzen op ‘kabelbrand’ in de menselijke ‘computer’ ”. Een sluipende slijtage waar slechts 20 procent van de mensheid van verschoond blijft. De vele stadia van vroege dementie laten zich moeilijk duiden en schetsen juist daarom zo’n angstaanjagend beeld.
“Zondag de negenste” zijn zo ongeveer de enige woorden die bewoonster Marthje nog uitstoot. Haar verwrongen gelaat en woedende blik onderstrepen daarvan de ernstige betekenis. Een betekenis die voor ons verborgen blijft en die schrijnend laat zien dat een vastgelopen brein evenzogoed een actief brein blijft. In dit geval gevangen in een eeuwige ‘loop’ van woedende radeloosheid.
Alle liefdevolle verzorging en begrip van het verplegend personeel doet daar niets aan af. Het zijn korte momenten in de film die het publiek confronteren met de rauwe werkelijkheid. Ons doen inzien hoe zwaar die dagelijkse zorg daadwerkelijk is én ons een kijkje vergunnen in het vastgelopen, ‘kabelverbrande’ hersenproces.
Achter de wezenloze gelaatsexpressie van de Pauw schuilt dan ook meer. Constant voelbaar is ‘het gevangen zijn in eigen hoofd’. In Furtmayr’s boek door patiënten beschreven als “..het is een afgrond, ik weet mij geen raad meer... als je maar weer eens onbekommerd met elkaar kon praten” en “…ik kan niet zeggen wat ik wil zeggen, ik krijg het er niet uit...” En toch zit het publiek niet twee uur gevangen in een relaas van puur menselijk leed. Kat Steppe laat een menselijke driehoeksverhouding zien waarbinnen ‘Alzheimer’ een grote rol speelt. Echter zeer realistisch, de lach en de traan altijd in elkaars verlengde.
Een bijzonder knap debuut.