
Vanochtend las ik een column van Peter Middendorp in de Volkskrant. Een kennis van hem had de vriendschap met zijn beste kameraad opgezegd. Die man had een zwembad in zijn tuin, vloog voortdurend en consumeerde er lustig op los. Van een goede vriend mocht je toch wat meer verwachten, vond hij.
Middendorp vroeg zich vervolgens af waarom we elkaar eigenlijk niet veel harder de maat nemen. Dus niet meer beleefd zeggen wat een gezellig houtkacheltje iemand heeft of wat leuk dat hij alweer een cruise heeft geboekt. Maar gewoon zeggen waar het op staat.
Ik voelde me best wel aangesproken. Ik heb een zwembad in mijn tuin, woon een deel van het jaar op Mallorca in een tweede huis. Ik probeer daar wel een groen woke paradijs van te maken, maar dat zwembad ligt er gewoon.
Ik vlieg ook. Niet zoveel als vroeger, maar als elektrische auto of trein niet mogelijk is zit ik ook in de buik van zo'n stinkende vogel.
En ik eet vlees. Dat terwijl ik dondersgoed weet wat de vleesindustrie aan shit veroorzaakt voor het klimaat, de biodiversiteit en dierenleed.
Dus kom maar op. Egoïstische klootzak.
Alleen denk ik niet dat we veel verder meekomen met naar elkaar kijken en elkaar de maat nemen. Het probleem met klimaatverandering is namelijk niet dat mijn buurman een zwembad heeft. Net zomin als de biodiversiteitscrisis wordt veroorzaakt doordat iemand dinsdagavond een biefstuk bakt.
Veel mensen denken dat als je het zelf maar zo goed mogelijk doet de wereld wel zal veranderen. Daar zit beslist een grond van waarheid in. Anderen een voorbeeld geven dat bewust gebruik van de natuur en de grondstoffen ook een prettige manier van leven oplevert is niet slecht. En de theorie dat hoe meer mensen dat doen hoe groter de kans dat we de omslag naar een transitie kunnen bereiken is ook mogelijk waar.
Maar het is niet de meest kansrijke manier, denk ik.
Ik ben er de afgelopen jaren steeds meer van overtuigd geraakt dat we de verkeerde problemen proberen op te lossen. Klimaat, ongelijkheid, oorlog, migratie, verlies van biodiversiteit, voedselproblemen, falende democratie. We zijn er mee bezig alsof het allemaal losse crises zijn.
We weten dat ze allemaal voor een belangrijk deel voortkomen uit het systeem dat we globaal de afgelopen paar honderd jaar hebben gecreëerd.
In mijn recent verschenen boek De Enige Oplossing betoog ik dat we moeten ophouden ieder probleem afzonderlijk te repareren en kijken naar het systeem dat het steeds opnieuw produceert. Dus ik zou de vraag omdraaien en niet kijken naar wat er vandaag politiek haalbaar is. Maar kijken naar hoe de wereld er over honderd jaar uit moet zien.
Vandaar uit kun je dan terugrekenen. Wat moet er tussen nu en dan veranderen om daar terecht te komen? Pas daarna komt de vraag die ik in podcasts bijna altijd krijg: Maar wat kan ík dan doen?
Meer dan je denkt.
Je kunt bepalen wat je koopt, waar je geld staat, voor wie je werkt, waarop je stemt, wat je bedrijf produceert, waarin je investeert en waar je je mond over opendoet. Als je merkt dat de betere keuze nauwelijks mogelijk is, dan wordt het interessant. Want dan moet je zoeken naar de regel waardoor die betere keuze onmogelijk of onaantrekkelijk wordt. Daar moet je dan je aandacht op richten om verandering af te dwingen.
Misschien hebben we ergens onderweg het idee gekregen dat de wereld alleen kan worden gered door heel veel keurige mensen die allemaal precies het juiste doen. Ik geloof dat niet. De meeste mensen zijn daar ook niet toe in staat omdat voor hen het leven (in tegenstelling dan dat van mij) op zich al een struggle to survive is.
Maar mensen kunnen wel systemen veranderen. Dat hebben we voortdurend gedaan. Ten goede en ten kwade. Niet door op een hutje op de hei te gaan wonen. Maar door je mond open te trekken.
Ik neem mijn kinderen, buren en vrienden dus niet de maat. Ik hoop ze alleen het idee mee te geven, dat daar waar je ergens invloed op hebt het verschil kunt maken. En dat zijn meer zaken dan je denkt.
En het aardige is: volgens mij word je daar zelf nog gelukkiger van ook.