
Twee doden op de A59 als gevolg van een file door onaangekondigde trekkeracties op de snelweg. En de reactie van ons kabinet? Een dringende oproep: ‘Demonstreer niet op de snelweg, het is bloedlink.’
Als organisatiesocioloog stelt deze bestuurlijke reactie mij voor een fundamentele en alarmerende vraag over de staat van ons openbaar gezag.
In de klassieke staatsfilosofie van Thomas Hobbes (Leviathan, 1651) staat het maatschappelijk verdrag tussen burger en staat op één centrale pijler: de overheid garandeert fysieke veiligheid en voorkomt de chaos waarin burgers elkaar in gevaar brengen. Het gewelds- en handhavingsmonopolie is geen willekeurige bevoegdheid, maar het allereerste bestaansrecht van de staat.
Het tragische ongeluk van vandaag staat niet op zichzelf. De afgelopen jaren zagen we keer op keer hoe acties op de infrastructuur — van asbestdumpingen en brandende hooibalen tot bezette snelwegen — ternauwernood zonder dodelijke afloop bleven. De grenzen van de openbare orde werden stelselmatig opgerekt, terwijl de overheid bleef toekijken. Dat het nu wel dodelijk afloopt, is de schokkende, maar voorspelbare uitkomst van een lange reeks van gedogen.
Hier wordt het mankement van onze huidige politieke verhoudingen pijnlijk zichtbaar. We zien een rechts-populistische machtsdynamiek waarin politieke partijen — met de VVD voorop in de uitstraling van 'law and order', maar afhankelijk van populistisch stemmenwinbejag aan de rechterflank — verlamd raken zodra een specifieke achterban de wet overtreedt. Wanneer de politieke calculatie om de kiezersgunst zwaarder weegt dan het handhaven van de rechtsorde, vervalt de overheid in stemmingmakerij en vrijblijvende retoriek.
De staat is echter geen verlegen raadgever of bezorgde grootouder die zachtmoedig adviezen uitdeelt. Ze is de hoeder van onze veiligheid. Als de staat haar handhavende taak inruilt voor morele oproepen uit angst om een partijpolitieke achterban voor het hoofd te stoten, erodeert niet alleen de fysieke veiligheid op onze wegen. Er ontstaat een gevaarlijke erosie van het staatsgezag zelf.
Wat zegt het over onze democratische rechtsstaat wanneer het demonstratierecht van een georganiseerde groep zwaarder weegt dan het recht op fysieke veiligheid van de willekeurige weggebruiker? Waar burgerlijke vrijheid door selectieve handhaving verandert in vogelvrijheid, ontstaat de klemmende Hobbesiaanse vraag: wie beschermt de burger nog wanneer de staat niet meer optreedt, maar slechts adviseert?