
Havenwerkers tijdens een staking georganiseerd door vakbond FNV. Die eist dat het kabinet-Jetten de voorgenomen bezuiniging van 6,5 miljard euro op de sociale zekerheid per direct intrekt.
Het is niet voor het eerst dat de pijlen op ons socialezekerheidsstelsel gericht worden. Sinds het neoliberalisme in het begin van de tachtiger jaren haar intrede deed is de verzorgingsstaat, zoals die na de Tweede Wereldoorlog vorm kreeg, in rap tempo afgebroken.
De bezuinigingen die nu aan de orde zijn hebben betrekking op de hoogte en verdere duurverkorting van uitkeringen bij werkloosheid en arbeidsongeschiktheid. Wie straks werkloos wordt zou volgens de plannen al na een maximale uitkeringsduur van 12 maanden in de Bijstand terecht komen. Datzelfde zou de gedeeltelijk arbeidsongeschikte kunnen overkomen als betrokkene, na een jaar arbeidsongeschikt te zijn, geen baan heeft gevonden waarmee hij niet tenminste de helft van zijn resterende verdiencapaciteit kan verdienen.
Het ligt voor de hand om te verwachten dat de instroom in de Bijstand, als de plannen doorgaan, aanzienlijk zal toenemen. Dat zou betekenen dat veel werknemers, die eerst nog onder de paraplu van de sociale verzekeringswetten zaten, zich straks moeten melden bij het gemeentelijk bijstandsloket. Dat zal zeker gelden voor de groep oudere werklozen die, vanwege hun leeftijd en/of gebrek aan diploma’s en vaardigheden, moeilijker aan werk komen.
Het aantal mensen in de bijstand cirkelt volgens de cijfers van het CBS al jaren rond de 400.000. Dat getal zal bij doorgaan van de plannen al snel de half miljoen overschrijden. Deze grote groep wacht een onfortuinlijk bestaan. Voor hen gaat een regiem gelden dat bol staat van verplichtingen en met een karig belegde boterham. Je komt ook niet zomaar in aanmerking voor financiële bijstand. Mensen met een meewerkende partner, die meer verdient dan het bijstandsniveau, ontvangen niets. Dat geldt ook in geval sprake is van een eigen vermogen van meer dan 16.000 euro en/of een overwaarde in het eigen huis dat meer bedraagt dan 67.500 euro. Die vermogensbestanddelen moeten eerst opgesoupeerd worden.
Concreet betekent dit dat een oudere werknemer die, ondanks verwoede inspanningen, niet meer aan de bak komt en betrekkelijk veel gespaard heeft voor later, straks alle reserves kwijt kan zijn. Dat is de harde realiteit van wat eens de verzorgingsstaat heette. Maar ook in de bejegening van betrokkene ontstaan er veranderingen bij overgang naar de Bijstand. Vanaf aanvang wordt betrokkene duidelijk gemaakt dat hij teert op de zak van de belastingbetaler en dus alles uit de kast moet halen om zichzelf weer snel te kunnen bedruipen. Ambtenaren controleren nauwgezet alle stappen die de uitkeringsgerechtigde doet en het minste vergrijp wordt hem zwaar aangerekend. Betrokkenen verliezen zo de regie over hun leven.
Het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) concludeerde in juni 2023 in een rapport onder de titel ‘Een brede blik op bijstand’ dat de te grote focus op werk en de nadruk van de Participatiewet op verplichtingen en controle niet effectief zijn. Naar aanleiding van deze conclusies adviseerde het SCP enkele verbeteringen. Naast uitstroom naar werk zou ook de verbetering van kwaliteit van leven en stabiliteit als erkende doelen van de bejegening moeten gelden. Voorts zou de strenge controlestructuur plaats moeten maken voor het creëren van een basis van vertrouwen en zouden de klantmanagers de vrijheid moeten hebben om de hulp af te stemmen op de persoonlijke situatie van de betrokkene.
De aanbevelingen van het SCP zijn per 1 januari 2026 voor het grootste deel in de Participatiewet opgenomen. De belangrijkste wijziging is dat de verplichte ‘tegenprestatie’ uit de wet is gehaald. Daarmee erkent de wetgever voor het eerst dat er mensen zijn die wel willen maar niet kunnen werken, omdat zij kampen met fysieke of mentale beperkingen, onvoldoende sociaal netwerk hebben dan wel de vaardigheden missen om zich staande te houden in deze als maar complexer wordende samenleving. Voor die groep mensen is een vertrouwenwekkende bejegening effectiever.
Wat onveranderd bleef is de financiële component. Zolang mensen over eigen middelen beschikken dan wel een meeverdiende partner hebben, vangen zij achter het net. Je kunt redeneren dat deze categorie daarmee versneld op zoek gaat naar een nieuwe baan. Dan is immers de living weer verzekerd. Maar die opvatting gaat opnieuw voorbij aan de idee dat mensen in omstandigheden verzeild kunnen raken die een belemmering vormen voor investering in bijvoorbeeld opleiding en werk. Die groep wordt daarmee tot op het bot financieel uitgekleed.
Zo kunnen mensen met een eigen huis verplicht worden om hun overwaarde te belenen. Maar aangezien een hypotheekverhoging er in een situatie van werkloosheid niet in zit, zal het huis verkocht moeten worden. Maar dan is het nog maar de vraag of er een betaalbare huurwoning beschikbaar is. Het persoonlijk leed dat mensen daarmee wordt aangedaan is onevenredig groot ten opzichte van het financieel belang voor de samenleving.
Deze desastreuze consequenties kunnen voorkomen worden als de gemeentelijke bijstand omgevormd zou worden tot een algemene volksverzekering die een sociaal minimuminkomen garandeert aan iedereen die niet opzettelijk tijdelijk of blijvend buiten het arbeidsproces is komen te staan en waarvoor geen andere voorzieningen (meer) bestaan. Deze voorziening zou ook moeten gaan gelden voor zelfstandigen na een faillissement of in geval van arbeidsongeschiktheid. Om vast te stellen of de werkloosheid niet opzettelijk is ontstaan, zou een eenvoudige beoordeling, bijvoorbeeld door het UWV, kunnen volstaan.
Om betrokkene te stimuleren werk te zoeken zou, zoals ook in de huidige bijstandspraktijk geldt, de eerste 15 procent van het met arbeid verdiende inkomen niet op de uitkering gekort mogen worden. Het meerdere inkomen wordt wél op de uitkering in mindering gebracht. En zodra het met arbeid verdiende inkomen op of boven het wettelijk minimumloon ligt, zou de uitkering in zijn geheel beëindigd moeten worden. De voorgestelde regeling maakt de bestaande gemeentelijk bijstand niet helemaal overbodig. Immers de voorgestelde regeling veronderstelt onvrijwillige werkloosheid en werkervaring van betrokkene.
Critici zullen zich wellicht afvragen of de voorgestelde basis-inkomensgarantie geen aanzuigende werking zal hebben op een relatief kleine groep non-valeurs. Dat is niet helemaal uit te sluiten. Daarbij moet wel bedacht worden dat het verschil met het minimumloon nog steeds 30 procent bedraagt. Maar de verwachting zal vooral afhangen van het mensbeeld van waaruit geredeneerd wordt. Het eerder aangehaalde rapport van het SCP levert voldoende munitie op om aan te nemen dat vertrouwen in de eerlijkheid, het aanbieden van professionele hulp en steun bij het zoeken naar werk meer effect hebben dan dwang en wantrouwen. En natuurlijk zullen er gevallen van misbruik blijven bestaan. Daar is geen wet, hoe streng ook, ooit tegen opgewassen gebleken.
In combinatie met de goede wijzigingen, die de Participatiewet vanaf 2026 heeft ondergaan, zou de voorgestelde basisgarantie ook voor werkenden een aanzienlijke opluchting betekenen. Zij hoeven niet meer te vrezen voor het risico, dat zij alles wat ze in het verleden hebben opgebouwd, in geval van werkloosheid verloren gaat. En inderdaad zal er na werkloosheid sprake zijn van een, dikwijls forse, inkomensachteruitgang. Maar het eventuele partnerinkomen, de overwaarde in het huis en de spaarcenten blijven in alle gevallen onaangetast. Zij realiseren zich dat, zeker als de WW en de WIA verder versoberd worden, zij eerder aan de beurt kunnen komen. Ook zal de bedoelde bestaansgarantie voorkomen dat mensen, vanwege langdurige werkloosheid of arbeidsongeschiktheid, onder de armoedegrens belanden.
De sociale zekerheid oogde in de zeventiger jaren wellicht als een eldorado. Dat imago heeft het socialezekerheidsstelsel al lang geleden van zich afgeschud. Maar met de voorgenomen plannen van het kabinet worden de grenzen, die onze beschaving aan het sociale stelsel stelt, overschreden. Ook hardwerkende mensen, die door economische tegenwind of ziekte de pech overkomt uitgeschakeld te worden van het arbeidsproces, lopen veel eerder het risico om huis en haard te verliezen. Dat zou ook haaks staan op de grondwettelijke opdracht aan de overheid (art. 20 van de Grondwet) die geacht wordt te waken voor de bestaanszekerheid van de bevolking.