De Volt-files: Juist zichtbare Europese resultaten zijn voor Volt een probleem
Volt is een Europese partij en dus is er maar één plek waar men de meeste interesse in heeft: Brussel. Hier zetelt Damian Boeselager, de enige Europarlementariër die namens Volt in mei 2019 werd verkozen. In Nederland maakte Volt toen al indruk met een respectabele honderdduizend stemmen, maar dat was bij lange na niet genoeg voor een zetel. Bij onze oosterburen lukte het wel: Boeselager haalde de kiesdrempel. De grote vraag is: wat schiet een Europese partij op met één Europarlementariër?
Eens zien in welke wereld Boeselager functioneert. Het Europees Parlement bestaat sinds brexit uit 705 leden. Duitsland heeft er 96, waarvan precies een kwart in de Groene fractie zit, waar ook GroenLinks onderdeel van uitmaakt. De meeste Groenen uit Duitsland komen van Bündnis 90/Die Grünen: 21 stuks. Deze partij is vanuit Nederlands perspectief opmerkelijk populair: ze maken dit jaar zelfs een kansje op het bondskanselierschap. De andere drie Duitse Groenen in het Europees Parlement zijn een afsplitser van ‘Die Partei’, een lid namens de Piratenpartij en Boeselager.
Een vergelijking met Nederland ligt voor de hand: Europarlementariërs trekken nauwelijks aandacht, maar grote partijen hebben een streepje voor. Kijk naar het CDA, die met vier zetels in de christendemocratische fractie (EVP) zit. Daar zitten ook 50Plus en de ChristenUnie met beide een zeteltje. Er is op EVP-niveau fractiediscipline dus CDA, ChristenUnie en 50Plus vinden hetzelfde. Als je wilt weten wat de Europese christendemocraten vinden, vraag je dat dus aan het CDA. De Europarlementariër van 50Plus heeft dat inmiddels begrepen: hij heeft zich bij het CDA gevoegd.
Nu Bündnis 90/Die Grünen zo hoog in de Duitse peilingen staat, is het wel duidelijk wie vanuit Duits perspectief de meest relevante Europarlementariërs zijn.
Weinig kennis Daar komt een algemener probleem van het Europees Parlement bovenop: er is bij het grote publiek nauwelijks kennis hoe Europese politiek werkt. Hoe de instellingen samenwerken is vaak nog wel te volgen: in de meeste gevallen moeten zowel de lidstaten als het Europees Parlement voorstellen goedkeuren. Maar daar houdt de overzichtelijkheid op: onderhandelingen gaan in meerdere ronden, waarvan een deel achter gesloten deuren. Voor de buitenwereld is het proces maar deels transparant en het bestaat bovendien uit ontzettend veel papierwerk. Onnavolgbaar dus.
Zo komen we op de vraag wat Boeselager de eerste twee jaar precies heeft bereikt. Wat merken we van Volt in Brussel? Tot 1 mei van dit jaar voerde Boeselager twintig keer het woord in een plenair debat, stelde negentien schriftelijke en twee mondelinge vragen, bracht drie ontwerpresoluties in, was een keer rapporteur en vijftien keer schaduwrapporteur. Zie hier hoe hopeloos het is om het grote publiek uit te leggen wat een Europarlementariër precies doet: niemand weet of dit lijstje duidt op ‘hard werk’ of juist het omgekeerde. Niemand kan het zonder gedetailleerde studie zeggen.
Bij het Europees Parlement geldt: de activiteiten die in beeld komen zijn inhoudelijk het minst relevant. Het gaat om de onderhandelingen, niet om debatbijdragen in de plenaire zaal. Die zijn er namelijk pas als alles al in kannen en kruiken is. Veel activiteiten vinden op groepsniveau plaats: de mondelinge vragen van Boeselager werden bijvoorbeeld door een heel leger Europarlementariërs ingediend. Dat geldt ook voor twee van de drie ontwerpresoluties waar zijn naam onder staat. We worden zo dus niet veel wijzer over de meerwaarde van zijn werk. Daarvoor moeten we naar zijn rapporteurschappen kijken.
Onderhandelen met Volt In de buitenwereld heeft niemand het over rapporten van Europarlementariërs, maar dit is hun belangrijkste activiteit: onderhandelen namens het hele parlement als rapporteur of namens je fractie meepraten als schaduwrapporteur. Met name over die schaduwrapporteurschappen is maar weinig te zeggen: als je deze functie op je neemt kun je ook wegblijven van de onderhandelingstafel, wat vertrekkende Europarlementariërs soms ook ruiterlijk toegeven. Dat sommigen afhaken is niet raar: de invloed van een individuele Europarlementariër is achteraf nauwelijks transparant te maken.
De enige functie waarbij je zeker weet dat een Europarlementariër verschil maakt is een rapporteurschap. Door goede contacten én ervaring kun je deze functie bij een bepaald dossier bemachtigen. Dat lukt een Europarlementariër alleen bij hoge uitzondering, zeker als je nieuw bent zoals Boeselager. Je mag blij zijn als het je in vijf jaar twee keer overkomt. Boeselager was in twee jaar tijd één keer aan de beurt: hij schreef een rapport over de raming van inkomsten en uitgaven van het Europees Parlement in 2022. Laat dat even op u inwerken.
Heeft dit rapport een Volt-stempel? Nee, want een rapporteur is niet vrij om te schrijven wat hij wil. Een rapport is een compromis omdat er anders geen meerderheid voor komt. Boeselager zit dus eerst compromissen te sluiten binnen zijn eigen Groene fractie, waarmee het verschil tussen hem en Bündnis 90/Die Grünen – u weet wel, de partij die zo hoog in de peilingen staat – wegvalt. Dat compromis is vervolgens de input voor een compromis met een handvol andere fracties. Zo verwatert elk Volt-stempel op voorhand tot de algemene EU-beleidspulp die van elke andere eurofiele fractie had kunnen komen.
Zo komen we op een gekke paradox: het Europees Parlement is de enige direct gekozen EU-instelling en daarom vindt Volt dit orgaan erg belangrijk. Voor Volt is het Europees Parlement in theorie het ideale platform, maar in de praktijk let niemand op wat er hier gebeurt omdat alles te ingewikkeld is. Bovendien kan een individuele Europarlementariër nauwelijks verschil maken in deze compromissenmachine, laat staan dat de buitenwereld dit verschil kan opmerken. De Europese partij Volt zal het vooral van nationale en lokale politici moeten hebben.