
Op 4 januari jl. stond er in de Telegraaf een interview met Officier van Justitie Reinier van Loon en rechercheur Martin van 't Hof over handelen van politie en OM in de zaak van het Vlaardingse pleegmeisje. Het artikel leest als een indringend relaas van politie en Openbaar Ministerie die alles op alles zetten toen de gruwel eenmaal zichtbaar werd.
Rechercheurs die niet sliepen, officieren die de beelden zelf bekeken, teams die tot het uiterste gingen. Dat verdient erkenning. Maar het verhaal dat nu wordt verteld, is tegelijk onvolledig. En daarmee uitermate ongemakkelijk voor de familie van alle pleegkinderen die ooit in het gezin van John en Daisy gewoond hebben.
Want deze zaak begon niet met dat ene telefoontje zoals nu wordt gesteld door OM en politie. Ze begon veel eerder. Met signalen. Met zorgen. Met waarschuwingen die niet alleen binnen de jeugdzorg zijn genegeerd, maar óók daarbuiten. Ook bij instanties die nu het morele gelijk naar zich toe trekken zoals de politie. Want de politie is meerdere malen benaderd, het meisje is door de politie opgehaald in een supermarkt en na overleg en zonder verder onderzoek terug naar haar hel op aarde gestuurd.
Wat vrijwel nergens wordt benoemd: vlak vóórdat deze zaak naar buiten kwam, lag het dossier nog bij de civiele rechter. Tijdens die zitting vroeg de advocaat van de moeder expliciet om het gezag níét te beëindigen. Niet uit formaliteit, maar om zicht te houden op het kind. Omdat er toen al onderbouwde zorgen waren bij moeder. Maar ook omdat gezagsbeïndiging betekende: geen toegang meer, geen toezicht, geen mogelijkheid om aan de bel te trekken.
Dat verzoek zegt alles. Het betekent dat de signalen er wél waren. Dat mensen wisten dat het niet goed zat. En dat desondanks is doorgegaan op de automatische piloot.
In dat licht wringt het dat politie en OM zich nu presenteren als poortwachters die ingrepen toen het echt ernstig werd. Want wie vandaag de dag probeert melding te doen van misstanden binnen de jeugdzorg, herkent een ander beeld. Ouders en professionals die bellen, worden vaak al aan de telefoon afgewimpeld. Ze horen dan “Dit is civielrechtelijk.” “Dit zijn geen strafbare feiten.” “Neem contact op met de jeugdbescherming, zij zijn daarvoor.” De boodschap is helder: kom terug als het te laat is.
Dat is geen incident, maar systeemgedrag. Iedereen kijkt naar de ander. En ondertussen blijft het kind waar het is.
Het probleem is niet dat politie en OM nu gefaald hebben in hun strafrechtelijke optreden. Integendeel. Het probleem is dat ze nu sier maken met een situatie die hen goed uitkomt, terwijl ook hun organisaties eerder geen eigenaarschap namen. Ook zij hebben — door niet te luisteren, niet door te vragen, niet te registreren — bijgedragen aan het terugsturen van dit meisje de hel in.
De vraag “hoe kon niemand ingrijpen?” is dus verkeerd gesteld. De juiste vraag is: waarom durfde niemand verantwoordelijkheid te nemen vóórdat het strafrecht onvermijdelijk werd? Die vraag zouden Van Loon en Van 't Hof zichzelf en hun organisatie moeten stellen.
Zolang instanties pas bewegen bij foto’s, letsel en media-aandacht, blijft dit risico bestaan. Bescherming van kinderen vraagt geen heroïek achteraf, maar moed vooraf. De moed om een melding serieus te nemen. Om door te pakken. Om niet weg te kijken omdat het dossier ingewikkeld is.
Dit meisje stond niet alleen. Ze werd alleen gelaten. En dat is geen falen van één pleeggezin, één instelling of één professional. Dat is falen van een systeem waarin iedereen naar elkaar wijst — totdat het te laat is.
Meld je hieronder gratis aan voor Joop NL. Iedere donderdag een selectie opvallende nieuwsverhalen, opinies en cartoons in je mailbox.