
Een paar dagen geleden is een verwarde jongeman om het leven gekomen in Yorkshire Wildlife Park in Engeland. Hij klom over meerdere hekken en belandde bij een Siberische tijger. Op beelden die online rondgaan is te zien hoe hij met gebaren contact zoekt met het dier. Er wordt onderzocht of hij in een mentale crisis zat. Uiteindelijk wordt de jongen doodgebeten.
Hoe hij daar terecht kwam wordt nog uitgebreid bekeken. De tijger blijft in leven, hij deed wat een tijger doet, hij volgde zijn instinct.
‘Natuurlijke selectie’, schrijft iemand op Facebook. ‘Survival of the fittest.’
‘Opgeruimd staat netjes’, grapt een ander. En weer iemand anders zegt, ‘mooi, weg met zo’n mongool. Smaakte het en hoe is het met de tijger?’
Er verschijnen lachende emoji’s onder het nieuwsbericht.
Het is niets nieuws onder berichten over verdriet, ziekte en overlijden duiken steeds weer reacties op waarin ieder spoor van mededogen ontbreekt. Een overleden mens wordt gereduceerd tot ‘dat ouwe lijk’. Een overleden succesvolle schrijfster wordt afgedaan met ‘Oh god, ik dacht dat het een kerel was. Wat een pot.’
Waarom schrijf je zoiets op, hoe sluit je je laptop en bedenkt dan wat je die avond gaat eten?
Kijk naar de profielfoto’s van sommige reageerders. Mensen die liefdevol hun hond omarmen, trots poseren met hun huisdier of omringd zijn door papegaaien. Blijkbaar zijn ze in staat tot tederheid zolang die zich maar op een dier richt.
Je hond over de kop aaien en vervolgens lachen om de dood van een mens, het lijkt wel een moderne brandstapel.
Een enkeling probeert nog nuance aan te brengen: ‘die jongen zat vast in een psychose’. ‘Nou en!’ klinkt het dan, ‘pech.’
Misschien zitten er ook trollen tussen de reageerders, nep-accounts zonder geschiedenis, aangemaakt om te provoceren. Maar dat verklaart niet alles. Provocateurs kunnen de boel opjuinen, maar ze hebben wel een publiek nodig.
Wie denkt dat de brandstapels voorgoed zijn gedoofd, heeft een poos niet op Facebook gekeken.
De psychologie erachter is herkenbaar.
In 1486 verscheen de Malleus Maleficarum, beter bekend als de Heksenhamer. Dit invloedrijke werk droeg bij aan de verspreiding en rechtvaardiging van de vervolging van veronderstelde heksen. Gedrag dat niet werd begrepen en bepaalde uiterlijke kenmerken konden worden uitgelegd als bewijs van het kwaad.
Inquisiteurs en andere vervolgers zochten destijds op het lichaam van slachtoffers naar een vlekje, een litteken of een afwijking. Zo konden ze bewijzen dat je geen gewoon mens was, maar een heks die op de brandstapel hoorde.
Vaak waren het oudere vrouwen, weduwen die in armoede leefden, vrouwen met een beperking, vroedvrouwen en natuurgenezers. Mensen die afweken van de norm of dicht bij de natuur stonden, konden gemakkelijk verdacht worden gemaakt.
Bij rampen, mislukte oogsten en andere tegenslagen moest er een schuldige worden gevonden.
Een vrouw kon met een steen om haar nek in het water worden gegooid. Bleef ze drijven dan beweerde men dat ze haar magie had gebruikt en dus een heks was. Zonk de vrouw dan was ze onschuldig maar lag ze dood op de bodem.
Ook de heksenwaag werd gebruikt. Een heks zou zo weinig wegen dat ze op een bezemsteel kon vliegen. Op bepaalde plaatsen konden beschuldigden zich laten wegen om hun onschuld te bewijzen. Was hun gewicht normaal voor hun lengte dan kregen ze een Certificaet van Weginghe.
Vroeger kon het weken duren voordat een gerucht zich verspreidde en uitgroeide tot een collectieve hetze. Nu hebben we sociale media met pesten, algoritme en online shaming.
Onze moderne Heksenhamer zoekt niet langer naar moedervlekken of littekens. Hij zoekt naar alles wat reuring veroorzaakt.
Een iemand wijst naar de zondebok en de rest loopt er met de fakkels achteraan.
Ze gedragen zich als de papegaai op hun eigen schouder: ze herhalen wat een ander roept, zonder zich af te vragen wat ze eigenlijk zeggen.
Vroeger stond de joelende menigte rond de brandstapel. Nu verzamelen ze zich op Facebook. De fakkels zijn vervangen door smartphones en de beschuldigingen verspreiden zich met een druk op de knop.
De tijger deed wat een tijger doet. Hij volgde zijn instinct.
De echte wildernis bevindt zich niet in de dierentuin.
Het roofdier zit thuis op de bank met de hond langszij en een mobiel in de hand. Survival of the fittest achter een scherm.