
Afgelopen 36 jaar – sinds ik vijf jaar oud was – ben ik bijna elke dag op de een of andere manier beïnvloed door één man. Vrijwel altijd in negatieve zin. Dat ik nu in Nederland zit, veilig achter een toetsenbord, deze column kan schrijven zonder bang te zijn dat er vannacht op de deur wordt gebonsd, is indirect óók aan hem te danken. En dat is opnieuw in negatieve zin.
Ali Khamenei bepaalde niet alleen het lot van miljoenen Iraniërs. Hij bepaalde ook het mijne. Mijn migratiegeschiedenis. Mijn familiegeschiedenis. Mijn permanente gevoel van ontheemding.
Zesendertig jaar lang begon vrijwel elk telefoongesprek met mijn vader met dezelfde grap. Soms via een krakende lijn, soms via FaceTime, altijd met de wetenschap dat er iemand meeluistert. Want wie vanuit het buitenland met iemand in Iran belt en denkt níet te worden afgeluisterd, gelooft waarschijnlijk ook nog in verkiezingen daar.
“Heb je het gehoord?” zei ik dan.
“Het dorpshoofd is gedood.”
“Dorpshoofd” is onze codetaal. Een woord dat iedere Iraniër begrijpt – ook, of misschien juist, de mensen van het regime zelf. In een land waar je niet vrijuit mag spreken, ontwikkel je collectieve ironie. Je leert praten in schaduwtaal.
En gisteren gebeurde het. De zin die mijn vader en ik 36 jaar lang als half-serieuze wens uitspraken – een wens die in miljoenen huiskamers werd gefluisterd – werd werkelijkheid.
Laat ik één misverstand meteen wegnemen: het doden van Khamenei betekent niet automatisch dat het regime is verdwenen. Een regime is geen persoon. Het is een netwerk. Een systeem. Een ideologie die zich decennialang heeft ingegraven in veiligheidsdiensten, rechtspraak, economie en religieuze instituties.
Maar wie de schaal van de Amerikaanse en Israëlische aanvallen ziet, kan ook niet doen alsof dit een symbolische tik is. Dit is geen speldenprik. Dit is een mokerslag. En de kans dat zo’n klap het begin van het einde markeert, is groter dan bij welke eerdere opstand van binnenuit ook.
Moet ik nu blij zijn? Die vraag ligt sinds gisteren als een steen in mijn maag. Er is opluchting. Natuurlijk is er opluchting. Want elke keer dat Iraniërs de straat op gingen, was het scenario voorspelbaar: honderden, duizenden doden in de eerste dagen. Daarna internationale verontwaardiging. Stevige verklaringen. En vervolgens: stilte. Business as usual.
Ik heb zó vaak gedacht dat ik deze dag nooit zou meemaken. En toch ben ik niet blij. Niet op de manier waarop je hoopt blij te kunnen zijn. Want opnieuw is het een buitenlandse militaire actie die een regime een klap toebrengt. Opnieuw wordt het internationaal recht gebogen naar geopolitieke opportuniteit. Opnieuw klinkt het verhaal dat dit “de weg naar vrijheid” is.
Maar welk land is ooit door een ander land bevrijd?
Afghanistan.
Irak.
Syrië.
Libië.
Libanon.
Egypte.
Soedan.
Somalië.
Overal hetzelfde patroon: buitenlandse inmenging, geopolitieke schaakzetten, en uiteindelijk de burger die betaalt. Dat is mijn angst. Niet dat dit regime weg is – dat regime heeft meer dan genoeg bloed aan zijn handen. Mijn angst is wat er daarna komt.
Terwijl ik daarover nadenk, probeer ik mijn ouders te bereiken. Mijn ouders zijn op leeftijd. Mijn vader is de mantelzorger van mijn moeder, die zware kankerbehandelingen heeft ondergaan. Ik ben hun enige kind. En ik zit duizenden kilometers verderop.
Als ik een paar dagen geen contact krijg, blijft er maar één gedachte hangen: er is misschien iets mis. Ik kan niet langsgaan. Ik kan niet controleren of het internet eruit ligt of dat er sirenes klinken. Ik kan alleen hopen dat stilte gewoon stilte is. Dat is de machteloosheid van een enig kind in ballingschap: veilig zijn en je tegelijk volkomen onveilig voelen. En precies daarom maak ik me zorgen over wat hierna komt.
Onder Iraniërs in ballingschap – velen vertrokken vlak na 1979, vaak na marteling of het verlies van familieleden – klinkt nu luid dat na dit regime een terugkeer naar vóór de revolutie mogelijk of zelfs wenselijk zou zijn. De naam van Reza Pahlavi wordt nadrukkelijk genoemd als overgangsfiguur. Ik ben geen voor- of tegenstander van de kroonprins. Ik ken hem niet. Wat mij vooral opvalt, is hoe hij het afgelopen jaar plotseling wordt gepresenteerd als staatsman-in-wacht.
Maar meer dan tweederde van de ruim negentig miljoen Iraniërs is geboren ná 1979. Hun strijd is geen nostalgische strijd. Zij willen geen terugkeer. Zij willen vooruit. En naast monarchisten staan talloze andere groepen klaar: etnisch georganiseerde bewegingen, religieuze facties, regionale machtsblokken. Iran is geen homogeen land. Koerden. Balochi’s. Arabische gemeenschappen in het zuiden. Azeri’s in het noorden.
In een machtsvacuüm ontstaan niet automatisch bloemen van democratie. Soms ontstaan er barsten. Juist daarom kan Nederland niet volstaan met het napraten van Londen, Parijs of Berlijn. Ja, dit is in essentie een oorlog van de VS en Israël. Den Haag voert hier niet de regie. Maar wat hierna komt, dáár kunnen we wel degelijk invloed op uitoefenen. En als we nu niets voorbereiden, hebben we straks ook niets in te brengen.
Wat zou Nederland concreet moeten doen? Organiseer nú, samen met gelijkgestemde EU-landen, een diplomatiek traject dat expliciet uitgaat van zelfbeschikking van de Iraanse bevolking. Niet van één troonpretendent. Niet van één luidruchtige lobby. Maar van een breed, inclusief overgangsproces onder internationale waarborgen.
Investeer in digitale infrastructuur en veilige communicatiemiddelen voor Iraniërs in Iran. Het regime won altijd door informatie te controleren. Als er één terrein is waarop Nederland verschil kan maken, dan is het daar. Bereid gerichte sancties voor tegen individuen en machtsnetwerken die een vreedzame transitie saboteren. Geen brede sancties die de bevolking raken, maar slimme sancties tegen elites die zich opnieuw willen ingraven.
Maak in EU-verband duidelijk dat erkenning van een overgangsregering alleen volgt na aantoonbare stappen richting vrije verkiezingen onder internationale supervisie. En zet humanitaire noodvisa klaar voor journalisten, activisten en minderheden die gevaar lopen in de eerste maanden van instabiliteit. Wacht niet tot de eerste zuiveringen beginnen.
Dat zijn geen wereldschokkende voorstellen. Maar het zijn wél keuzes. En dan kom ik dichter bij huis. Gisteren was het congres van Democraten 66. Voor het eerst met een liberaal-sociale premier, Rob Jetten. Een historisch moment. Een moment van trots. Maar terwijl daar werd gevierd, zat mijn hoofd in Isfahan.
Misschien daarom viel het mij extra op hoe weinig richting er zichtbaar werd toen onze buitenlandwoordvoerder werd gevraagd naar de situatie. Een schriftelijke verklaring. Geen uitgewerkte visie. Geen zichtbare agenda voor wat Nederland nu zou moeten doen.
Dit is geen persoonlijke aanval. Iedereen kan overvallen worden. Maar als je de grootste fractie bent die de premier levert, mag je op het grootste geopolitieke dossier van dit moment méér verwachten dan improvisatie. D66 heeft op dit terrein een traditie. Denk aan Sjoerd Sjoerdsma. Je wist misschien niet altijd of je het met hem eens was, maar je wist wel dat hij voorbereid was. Dat hij wist welke motie hij zou indienen. Welke coalitie hij zou zoeken. Welke drukmiddelen hij kon inzetten.
Dat is wat ik nu mis: niet bombast, maar voorbereiding. Niet stoere taal, maar scenario’s. Niet meelopen, maar agenderen. Want als wij nu geen plan hebben voor de dag ná deze mokerslag, dan bepalen anderen wat vrijheid in Iran betekent. En de geschiedenis leert dat “anderen” zelden de rekening betalen.
De man die 36 jaar als een schaduw over mijn leven hing is weg. Maar één dode maakt nog geen vrij land. Vrijheid ontstaat niet door explosies. Vrijheid ontstaat door keuzes. En als wij die keuzes nu niet durven maken, dan waren die 36 jaar onder één schaduw nog niet het ergste wat Iran te wachten staat.
Meld je hieronder gratis aan voor Joop NL. Iedere donderdag een selectie opvallende nieuwsverhalen, opinies en cartoons in je mailbox.