Logo Joop
De opiniesite van BNNVARA met actueel nieuws en uitgesproken meningen.

De Arabische minderheid en de grenzen van de Israëlische democratie

•
Vandaag
•
leestijd 7 minuten
•
435 keer bekeken
•
ANP-564876950

Een sterke, egalitaire democratie wordt niet alleen beoordeeld op de vraag of er vrije verkiezingen worden gehouden, maar bovenal op de manier waarop zij omgaat met de minderheid binnen haar grenzen. Verkiezingen en meerderheidsbesluiten zijn fundamentele voorwaarden voor democratie, maar op zichzelf niet voldoende. Al in de negentiende eeuw benadrukte John Stuart Mill dat een adequate vertegenwoordiging van minderheidsgroepen geen versiering van de democratie is, maar een wezenlijk bestanddeel ervan. Een samenleving waarin een minderheid formeel gelijke rechten geniet, maar waarin haar gekozen vertegenwoordigers worden verhinderd deel uit te maken van de regering en invloed uit te oefenen op haar beleid - en waarin die vertegenwoordigers bovendien door de meerderheid als niet-legitiem worden beschouwd - is geen egalitaire democratie.

De manier waarop Israël met zijn Arabische minderheid omgaat, is geen ondergeschikt vraagstuk binnen de Israëlische politiek, maar een centrale kwestie die iets onthult over het morele karakter van de Joodse samenleving zelf. In een brief aan Stefan Zweig uit februari 1930 stelde de toenmalige president van de Hebreeuwse Universiteit, Judah Leib Magnes, de behandeling van Arabieren voor als een maatstaf voor het morele karakter van het Joodse nationalisme: "Voor mij is de Arabische kwestie een Joodse kwestie; onze houding tegenover de Arabieren is een toetssteen voor ons Joods-zijn." Er is nauwelijks een duidelijker maatstaf denkbaar om het morele karakter van de Israëlische samenleving te beoordelen en de betekenis te toetsen van de bewering dat Israël "de enige democratie in het Midden-Oosten" is, dan de manier waarop het land met zijn Arabische minderheid omgaat.

Discriminatie van Arabische burgers van Israël beperkt zich niet tot incidentele uitingen van racisme, maar komt duidelijk tot uiting in meetbare gegevens: in aanhoudende verschillen op het gebied van werkgelegenheid en vertegenwoordiging in de overheidsdienst, in armoedecijfers, ruimtelijke ordening en bouw, budgettaire toewijzingen en meer. In opeenvolgende rapporten heeft de Israëlische staatscontroleur vastgesteld dat de Israëlische regeringen er niet in zijn geslaagd het beginsel van materiële gelijkheid tussen Joden en Arabieren te verwezenlijken en dat er, "naar de uitkomsten gemeten", sprake is van discriminatie. Dat betekent niet dat elk afzonderlijk cijfer op zichzelf directe en opzettelijke discriminatie bewijst. Maar wanneer de verschillen zich in de loop der jaren opstapelen, institutionele belemmeringen blijven bestaan en officiële controle-instanties zelf wijzen op het ontbreken van gelijkheid, kunnen de feiten niet worden ontkend. Deze ongelijke behandeling, die de discriminatie van de Arabische minderheid in stand houdt, wordt vooral tijdens verkiezingscampagnes duidelijk zichtbaar.

Bij iedere verkiezingscampagne laait de discussie over de loyaliteit van Arabische burgers van Israël en hun gekozen vertegenwoordigers opnieuw op, als een terugkerend ritueel. De huidige verkiezingscampagne legt echter niet alleen de dubbele maatstaven tegenover de Arabische minderheid bloot, maar ook de grenzen van wat binnen het Israëlische politieke discours als legitiem wordt beschouwd.

De eerste partij waarvan uitsluiting van deelname aan de verkiezingen werd geëist, was de Verenigde Arabische Lijst (Ra’am). Dit gebeurde ondanks het feit dat haar leiders het bloedbad van 7 oktober en de aanvallen op onschuldige burgers uitdrukkelijk hadden veroordeeld en herhaaldelijk hadden verklaard dat Ra’am het Joodse karakter van Israël erkent en respecteert en deel wil uitmaken van een regeringscoalitie, voornamelijk om de vele problemen aan te pakken waarmee de Arabische gemeenschap die zij vertegenwoordigt wordt geconfronteerd. Toch werd de partij ervan beschuldigd terrorisme te steunen, omdat haar leiders zich beperkten tot het veroordelen van Hamas en zich niet aansloten bij de eis van de "volledige vernietiging" ervan. Het Hooggerechtshof vernietigde weliswaar het besluit van de Centrale Kiescommissie om Ra’am van deelname aan de verkiezingen uit te sluiten, maar de eis tot uitsluiting zelf legt de absurditeit bloot: een Arabische partij die deel wil uitmaken van de regering en de belangen van haar kiezers wil behartigen, wordt niet beoordeeld op haar politieke programma, maar op haar bereidheid om nationalistische retoriek over te nemen die de "vernietiging van Hamas" eist.

Een ander verzoek tot uitsluiting werd ingediend tegen Sami Abu Shehadeh, voorzitter van de Nationale Democratische Assemblee (Balad), een partij die pleit voor een tweestatenoplossing, zich verzet tegen de definitie van Israël als de natiestaat van het Joodse volk en pleit voor de omvorming van Israël tot een "staat van al zijn burgers". Het verzoek was gebaseerd op een artikel dat Abu Shehadeh op 8 oktober 2023, de dag na de aanval van Hamas, publiceerde. Daarin omschreef hij de aanval als "een belangrijke historische gebeurtenis" vanuit militair, politiek en strategisch oogpunt. Ook schreef hij: "Als het kleine, belegerde Gaza erin is geslaagd een dergelijke operatie uit te voeren, zullen anderen dat veel gemakkelijker kunnen doen." Het lijdt geen twijfel dat dit ongevoelige en smakeloze uitspraken waren. Abu Shehadeh betuigde echter spijt over zijn woorden en verklaarde dat hij nooit gewelddadige strijd had gesteund en zich zijn hele leven voor vrede en geweldloosheid had uitgesproken. Desondanks besloot de Centrale Kiescommissie zijn kandidatuur ongeldig te verklaren.

Na uitvoerige beraadslagingen over deze en andere beschuldigingen stond het Hooggerechtshof de deelname van Ra’am en Balad aan de verkiezingen toe. Ondanks deze juridische goedkeuring bestaat er binnen het politieke establishment vrijwel algemene overeenstemming dat Arabische partijen niet in een regeringscoalitie mogen worden opgenomen en dat zelfs niet op hun stilzwijgende steun mag worden gerekend. Sterker nog, elke afwijking van dit uitgangspunt wordt als verraad beschouwd. Ook de Israëlische media dragen bij aan dit discours. Bij ieder interview worden vertegenwoordigers van links en het politieke centrum gedwongen duidelijk te maken of zij bereid zijn te rekenen op de steun van Arabische partijen, alsof dit een toetssteen is voor hun nationale loyaliteit. Zo wordt de democratische vraag - welke regering kan worden gevormd op basis van de verkiezingsuitslag - vervangen door een nationale vraag: mogen de stemmen van Arabische kiezers meetellen bij het bepalen van de samenstelling van de nieuwe regering? Daarmee ontstaat feitelijk een duidelijke hiërarchie tussen burgers: de meerderheid mag de regering kiezen, terwijl de minderheid weliswaar vertegenwoordigers mag kiezen, maar aan die vertegenwoordigers bij voorbaat elk recht wordt ontzegd om invloed uit te oefenen op de samenstelling van de regering, laat staan om de belangen van hun kiezers te behartigen.

De manier waarop Arabische vertegenwoordigers worden behandeld, steekt scherp af tegen de behandeling van andere partijen en kandidaten, die niet alleen geschikt worden geacht om aan verkiezingen deel te nemen, maar ook als mogelijke partners in een regeringscoalitie worden beschouwd. Die tegenstelling maakt duidelijk waar binnen het Israëlische politieke discours de grenzen van legitimiteit liggen.

Zo heeft niemand bezwaar gemaakt tegen de kandidatuur van Yoseph Haddad, een Arabische kandidaat op een lijst die zich uitdrukkelijk uitspreekt voor het aanmoedigen van de emigratie van Palestijnen uit Gaza. Is het verschil in de behandeling van zijn kandidatuur wellicht te verklaren doordat zijn partij het heersende nationalistische discours onderschrijft, terwijl Arabische partijen die burgerlijke gelijkheid en politieke integratie eisen met behoud van hun nationale identiteit buiten de grenzen van de legitimiteit worden geplaatst? Evenmin klonken er oproepen om de kandidatuur van Moshe Feiglin, voorzitter van de partij Zehut, aan te vechten. Hij had eerder opgeroepen de watervoorziening, elektriciteit en voedseltoevoer naar Gaza stop te zetten. In oktober 2026 verklaarde hij dat hij zich inzet voor het bevorderen van de emigratie van Palestijnen, met de woorden: „Honderd procent van Gaza zal emigreren; er zal geen enkele baby achterblijven.” En tegen de kandidatuur van Itamar Ben-Gvir werden al helemaal geen vergelijkbare bezwaren geuit. Hij had zijn woonkamer ooit versierd met een portret van Baruch Goldstein, die 29 onschuldige Palestijnse gelovigen vermoordde. Toch werd Ben-Gvir niet alleen geschikt geacht om aan verkiezingen deel te nemen, maar ook om een hoge ministerspost te bekleden. Hetzelfde gold voor Bezalel Smotrich, die openlijk verklaarde ertegen te zijn dat zijn vrouw in een ziekenhuis een kamer zou delen met een Arabische vrouw.

Misschien vormt geen van deze uitspraken afzonderlijk voldoende juridische grond om een kandidatuur ongeldig te verklaren. Maar roepen zij geen ernstige morele en politieke vragen op? Hoe is het mogelijk dat politici die zich racistisch uitlaten, de uitsluiting van Arabische burgers van Israël rechtvaardigen, actief pleiten voor het bevorderen van Palestijnse emigratie of zich in het verleden vereenzelvigden met een massamoordenaar, geschikt worden geacht om aan het politieke proces deel te nemen, terwijl de legitimiteit van Arabische partijen die politieke integratie en burgerlijke gelijkheid nastreven herhaaldelijk ter discussie wordt gesteld?

Deze tegenstelling legt bloot wie er in Israël politiek als volwaardige partner wordt beschouwd. Volgens aanzienlijke delen van het politieke establishment is de Arabier die als partner aanvaardbaar wordt geacht niet noodzakelijk degene die naar gelijkheid en integratie streeft, maar juist degene die het heersende nationalistische discours en de politieke suprematie die dit aan de meerderheid toekent, niet ter discussie stelt. Met andere woorden: een Arabier die in de regering wil deelnemen, het beleid wil beïnvloeden en de belangen van zijn kiezers wil behartigen, wordt als een ongeschikte partner beschouwd, terwijl een andere Arabier die standpunten inneemt die nationale uitsluiting onderschrijven, politiek legitiem kan worden geacht. Zo wordt burgerschap niet langer een waarborg voor gelijkheid, maar een voorwaardelijke status; politieke samenwerking verandert van een burgerrecht in een gunst die de meerderheid naar eigen goeddunken verleent.

De bewering dat Israël "de enige democratie in het Midden-Oosten" is, kan de bestaande werkelijkheid niet aan kritische toetsing onttrekken. Verkiezingen en juridische instellingen zijn fundamentele voorwaarden voor democratie, maar garanderen geen daadwerkelijke politieke gelijkheid. Wanneer burgers die tot een minderheid behoren wel mogen stemmen, maar hun stemmen niet meetellen bij het bepalen van de samenstelling van de gekozen regering en hun vertegenwoordigers geen enkele mogelijkheid krijgen om invloed uit te oefenen, terwijl nationale uitsluiting politieke legitimiteit geniet, wordt de kloof tussen een egalitaire democratie en een uitgeholde democratie zichtbaar. De behandeling van de Arabische minderheid is de ultieme toetssteen voor de Israëlische democratie, en aan de hand daarvan moet zij worden beoordeeld. Israël kan niet prat gaan op vrije verkiezingen en tegelijkertijd een vijfde van zijn burgers behandelen als tweederangs politieke partners, wier stem wel wordt geteld maar wier invloed ontbreekt. Een democratie die stemrecht verleent, maar de mogelijkheid om invloed uit te oefenen op het bestuur beperkt op grond van nationale of religieuze identiteit, is een zieke, onvolledige en vervormde democratie. Niet omdat de minderheid niet wint, maar omdat de meerderheid weigert haar als gelijkwaardig te erkennen.

Reacties (0)

Joop

Meld je hieronder gratis aan voor Joop NL. Iedere donderdag een selectie opvallende nieuwsverhalen, opinies en cartoons in je mailbox.

Je kunt je op elk moment uitschrijven. Bekijk of beheer hier alle nieuwsbrieven.

Wil je meer weten over de manier waarop wij met jouw gegevens omgaan? Lees dan ons Privacy statement.

BNNVARA wij zijn voor