
Een dodelijke noodsituatie aan de grens was binnen 48 uur onder controle. Europese leiders maakten er een invasie van, ondermijnden het principe dat de Unie bijeen zou moeten houden en gaven Europa’s vijanden precies het dystopische verhaal waar ze op uit waren.
Vorige week probeerden ongeveer 72.000 mensen vanuit Marokko de Spaanse exclave Ceuta binnen te komen, een van de weinige landgrenzen van de Europese Unie op het Afrikaanse continent. Minstens 79 mensen kwamen om het leven. Ze verdronken of werden tegen de zeewering doodgedrukt, terwijl lokale autoriteiten vrezen dat het uiteindelijke dodental hoger kan uitvallen.
Hoewel het incident ernstige tekortkomingen blootlegde in het grensbeheer, de humanitaire hulpverlening en de samenwerking van Marokko met Spanje, rechtvaardigt het niet de conclusie die verschillende Europese en niet-Europese leiders eraan verbonden: dat Ceuta een ‘invasie’ van Europa was.
Binnen 48 uur hadden de Spaanse en Marokkaanse autoriteiten de orde hersteld. Meer dan 48.000 mensen werden teruggestuurd naar Marokko, terwijl degenen die achterbleven grotendeels niet-begeleide minderjarigen waren of mensen van wie de juridische procedures nog liepen. Niemand bereikte het Spaanse vasteland en wie Ceuta binnenkwam, kon niet verder reizen naar het Schengengebied.
Dat onderscheid doet ertoe. Ceuta was een dodelijke crisis aan een van Europa’s buitengrenzen, geen instorting van Europa’s grenzen zelf.
Veel Europese leiders behandelden de gebeurtenissen echter als iets veel groters. Een tijdelijk verlies van controle werd een test van de vraag of een beginsel waarop het Europese project rust – dat druk aan een buitengrens een gedeelde verantwoordelijkheid is – nog altijd standhield. Op dat punt schoten veel regeringen tekort.
Manfred Weber, leider van de Europese Volkspartij, stelde dat de gebeurtenissen verband hielden met de ‘aanzuigende werking’ van het Spaanse regularisatieprogramma voor migranten. Ursula von der Leyen veroordeelde het incident als ‘onaanvaardbaar’ en riep op tot snelle terugkeer, maar bood Spanje aanvankelijk weinig politieke steun en zei weinig over de rol van Marokko in het incident. Italië voerde vervolgens grenscontroles in voor reizigers uit Spanje, terwijl Giorgia Meloni en de Deense Mette Frederiksen een brief organiseerden die door 22 EU-leiders werd ondertekend en waarin opnieuw werd gesteld dat het Spaanse regularisatieprogramma aan de crisis had bijgedragen. Ook Denemarken, Tsjechië en Finland steunden het volledig uitsluiten van Spanje van het vrije verkeer, met als argument dat mensen die zich al binnen het gebied van vrij verkeer bevonden mogelijk verder zouden reizen.
Geen van deze beweringen houdt stand bij nadere beschouwing. In werkelijkheid werden jonge Marokkanen naar Ceuta gelokt door de valse belofte van een campagne op sociale media die een uitspraak van het Hooggerechtshof verkeerd voorstelde. Die uitspraak verbood het zonder meer terugsturen van zwemmers die de enclave hadden bereikt zonder eerst toegang te hebben gekregen tot de normale juridische procedures. Het Spaanse regularisatieprogramma gold bovendien uitsluitend voor mensen die al in het land woonden of voor asielzoekers die vóór eind 2025 een aanvraag hadden ingediend. Het programma sloot op 30 juni, een maand vóór de oversteekpogingen bij Ceuta, en bood geen enkele legale route voor mensen die in juli aankwamen. In Ceuta konden degenen die in de enclave achterbleven niet verder reizen, omdat er al uitreiscontroles van kracht waren.
De vraag was nooit of Europa zijn grenzen moet controleren. Dat moet het, en dat doet het. De echte vraag was of druk aan Europa’s buitengrens als een gedeelde verantwoordelijkheid zou blijven gelden of een reden zou worden voor regeringen om zich tegen elkaar te keren.
Het contrast met Lampedusa laat zien dat dit niet simpelweg een kwestie van grensbeheer was, maar van politieke solidariteit. In 2023, toen iets meer dan 10.000 migranten aankwamen op Lampedusa, het Italiaanse eiland dat een van de belangrijkste toegangspunten tot de EU via de Middellandse Zee is geworden, reisde Von der Leyen er samen met Meloni naartoe en verklaarde zij dat irreguliere migratie een ‘Europese uitdaging’ was die een ‘Europees antwoord’ vereiste. Anders dan in Ceuta konden degenen die op Lampedusa aankwamen gemakkelijker verder reizen door het Schengengebied, waardoor secundaire migratie een directer probleem vormde. Toch werd Italië behandeld als een lidstaat die een gezamenlijke last droeg. Spanje werd behandeld als een regering die het probleem mede had veroorzaakt door haar eigen migratiebeleid.
Dit verschil weerspiegelt een verschuiving in het Europese migratiedebat en de bredere realiteit dat radicaal-rechts niet langer hoeft te regeren om de reactie van de EU te dicteren. Meloni hielp de druk op Spanje op gang te brengen, maar Weber, Frederiksen – een sociaaldemocraat – en andere leiders maakten van een partijpolitiek argument het gevestigde standpunt van 22 regeringen. Solidariteit werd voorwaardelijk en Schengen werd een politiek instrument om regeringen onder druk te zetten waarvan veel Europese leiders het migratiebeleid afwezen. Het resultaat was niet alleen interne verdeeldheid, maar ook een kwetsbaarheid die externe actoren snel wisten uit te buiten.
De Amerikaanse president Donald Trump haalde Ceuta aan als waarschuwing aan Amerikaanse kiezers voor de risico’s van ongecontroleerde migratie. JD Vance omschreef het als een ‘invasie van het Westen’. Elon Musk vergeleek de grensovergangen met de zombiefilm World War Z. De Oekraïense minister van Buitenlandse Zaken meldde dat meer dan 1.500 berichten over Ceuta circuleerden binnen pro-Russische netwerken, aangevoerd door de door de staat gecontroleerde media Pravda en RT. Europese politici hebben deze verhalen niet bedacht, maar door vergelijkbare boodschappen uit te dragen maakten zij het gemakkelijker om ze te versterken, terwijl ze het mogelijke karakter van hybride oorlogsvoering buiten beschouwing lieten.
De blijvende betekenis van Ceuta ligt minder in wat er aan de grens gebeurde dan in de politieke reactie die erop volgde. Een moment van lokale wanorde werd een test voor de Europese samenhang. De gebeurtenissen van vorige week vereisen een volledig onderzoek naar smokkelnetwerken, het optreden van Marokko, de paraatheid van Spanje en de rechtmatigheid van de terugkeeroperaties. Maar dat mag de bredere les niet verhullen: Ceuta liet niet zien dat Europa zijn grenzen niet kan verdedigen. Het liet zien hoe snel politieke verdeeldheid een lokale noodsituatie aan de grens kan veranderen in een bedreiging voor de Europese solidariteit. Spanje verdiende kritisch onderzoek, maar het verdiende ook steun. Maak solidariteit afhankelijk van politieke eensgezindheid en Schengen houdt op een Unie te zijn en wordt een onderhandelingsmiddel, een middel waarvan onze tegenstanders inmiddels precies weten hoe ze het moeten bespelen.
Alberto Alemanno is academicus, auteur en een prominente stem in het debat over de democratisering van de EU. Hij is Democracy Fellow aan Harvard University, Jean Monnet-hoogleraar aan HEC Paris en oprichter van The Good Lobby.