
Een oude hoogleraar bestuurskunde gebruikte ooit een anekdote om de aard van de doorsnee Nederlandse politicus trefzeker te schetsen. Bij het lezen van de recente H.J. Schoo-lezing van CDA-leider Henri Bontenbal moest ik onwillekeurig aan dat verhaal denken.
Een Nederlandse minister is in Londen op bezoek bij zijn Britse ambtsgenoot. Gaandeweg het gesprek op het departement zegt de Brit: “You speak as an expert on your dossier.” De Nederlandse bewindspersoon glundert en bedankt hem hartelijk voor het compliment. Eenmaal buiten fluistert de meegereisde Nederlandse ambassadeur – wat beter ingeburgerd in de Britse ironie – hem discreet in het oor: “Hij bedoelde het niet als compliment.”
Zie hier de tragiek van onze bestuurlijke elite. Het zijn dossiervreters, bezeten van gedetailleerde dossierkennis, gevangen in de illusie dat een land bestuurd kan worden als een middelgroot accountantskantoor. Met Mark Rutte bereikte deze eigenschap zijn absolute hoogtepunt. En de generatie die in diens schaduw is gevormd – de leiders van het huidige midden zoals Bontenbal, Jetten en Klaver – ademt nog altijd hetzelfde arbeidsethos en dezelfde technocratische cultuur.
Dat viel helaas ook af te lezen aan de Schoo-lezing van Bontenbal. Het proza leest als de scriptie van een verdienstelijke eerstejaars bestuurskunde: helder, hoekig, onderverdeeld in ‘vier vormen van veerkracht’. Het bevat voorstellen die getuigen van een schattig, maar ontmoedigend micromanagement. Denk aan weerbaarheidslessen voor de jeugd en wijkraden die mogen meebeslissen over de indeling van het buurtplantsoen.
Mijn eerste neiging was om de lezing halverwege zuchtend terzijde te leggen. Weer een gemiste kans om onze verwarrende tijd van betekenis te voorzien. Want we leven in een tijd van epische verschuivingen; een kairos-moment vol donkere wolken, maar ook vol kansen op een maatschappelijke wedergeboorte. Europa, het laatste wankele baken van de rechtsstatelijke democratie, wordt dagelijks bedreigd door het imperiale Rusland van Poetin en geschoffeerd door het isolement van Trumps Amerika. China haalt ons technologisch op topsnelheid in, terwijl de klimaatcrisis fundamentele vragen stelt over onze manier van leven.
Deze tijd vraagt niet om een beheerder, maar om het smeden van eenheid rond een kampvuur van idealen en hoop. Bontenbal is het type manager aan wie je in stabiele, overzichtelijke tijden gerust het stuur toevertrouwt. Maar de huidige crisis verdraagt de managersstijl niet meer. Dat was precies waarom Rutte de laatste jaren van zijn premierschap zo deerlijk struikelde: zijn 'wheelen en dealen' was ingehaald door de geschiedenis. Grote tijden vragen om een grote taal.
Het was Francisco van Jole, hoofdredacteur van Joop.nl, die mij via een kort filmpje op sociale media alsnog verleidde de laatste pagina’s van de lezing op te slaan. Van Jole wees fijntjes op Bontenbals finale troef: het verweven van John F. Kennedy’s beroemde klassieker (“Ask not what your country can do for you…”) in zijn slotwoord. Bontenbal betoogde dat een beter Nederland niet vanzelf komt:
“Het vraagt iets van de politiek. Maar het vraagt ook iets van u en mij. Dat we niet alleen vragen wat Nederland voor ons doet. Maar ook wat wij voor Nederland en voor elkaar kunnen doen.”
Zoals Van Jole terecht opmerkte: de zinderende oproep van Kennedy veranderde in de mond van de CDA-leider in een tamme, dode mus. En dat is zonde, want het pathos van Kennedy past juist wonderwel bij deze tijd.
De historische gelijkenis in urgentie is namelijk treffend. Kennedy sprak zijn inauguratierede in 1961 uit nadat hij Richard Nixon met een flinterdunne marge (49,7% tegen 49,5%) had verslagen. Hij moest een diep verdeelde natie zien te verbinden, op het scherpst van de snede in de Koude Oorlog. Kennedy smeedde die eenheid door grote woorden direct te koppelen aan meeslepende daden: van gigantische investeringen in infrastructuur en het schier onmogelijke maanproject, tot sociale hervormingen en het oprichten van het Peace Corps.
Zijn rede was grootspraak in de edelste zin van het woord: een vergezicht gedreven door het pathos, geankerd in een helder ethos en een doordacht logos.
Ik heb geen enkele reden om aan de ethische zuiverheid of het logisch denkervermogen van Henri Bontenbal te twijfelen. Maar zijn lezing verraadt een tragisch gebrek aan verbeeldingskracht. Hij is gesocialiseerd in die bestuurlijke school die opkwam na de val van de Berlijnse Muur en de mythe van het 'Einde van de Geschiedenis'. In die tijd raakte de gedachte verankerd dat grote idealen hadden afgedaan en dat louter praktisch pragmatisme het antwoord was op alle maatschappelijke vraagstukken. Het resultaat is een generatie politici die niet meer groter kan denken dan de afmetingen van de Haagse zandbak. Er is in dat vertoog geen ruimte meer voor het pathos dat nodig is om verstand en moraal op te tillen naar een niveau waarop men weer groots durft te handelen.
Het is dan ook niet wonderlijk dat al een kwart eeuw het de ene na de andere populist lukt om het toneel over te nemen. Zonder inhoud, zonder logica en zonder ethos, maar wél met luidruchtige grootspraak walsen zij over de dossier-politici heen.
De tijd dringt. Mijn hoop is inmiddels minder gevestigd op de huidige Haagse beroepspolitici, en meer op een buitenstaander die de moed heeft om verstand, ethiek en meeslepende welsprekendheid weer met elkaar te verenigen.