
Thuisonderwijs ligt momenteel onder vuur in Nederland. De zorgen gaan vooral om het gebrek aan toezicht bij artikel 5 onder b van de Leerplichtwet (Lpw). Deze uitzonderingsgrond biedt vrijstelling wanneer ouders tegen het onderwijs op alle scholen binnen redelijke afstand van hun woning overwegende bedenkingen hebben op grond van hun levensbeschouwing.
Het begrip ‘levensbeschouwing’ is om meerdere redenen problematisch. Critici vinden dat er te veel ruimte voor interpretatie bestaat en dat sommige ouders er misbruik van maken om hun kind, om wat voor reden dan ook, van school weg te houden. De ambiguïteit leent zich ook voor wilde speculatie door mensen die niet weten wat thuisonderwijs inhoudt, die onwetendheid gebruiken om ouders belachelijk te maken die ernstige en principiële redenen voor hun keuze hebben en vanuit de ergst denkbare scenario’s conclusies trekken over thuisonderwijs als geheel.
Nu het ministerie van OCW overweegt artikel 5 onder b Lpw af te schaffen, dreigt ook een inperking van artikel 23 van de Grondwet, dat ouders de vrijheid garandeert om het onderwijs te kiezen dat aansluit bij hun levensbeschouwing. Hetzelfde recht dat ook verankerd is in zowel de Universele Rechten van de Mens (art. 26 lid 3 UVRM) als het Eerste Protocol van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (art. 2 EP EVRM).
Ouders kiezen om uiteenlopende redenen voor thuisonderwijs. De belangrijkste daarvan is de wens dat hun kinderen intrinsiek gemotiveerd blijven, van leren houden en zich in hun leerproces ontwikkelen in een tempo dat aansluit bij hun mogelijkheden. Zij willen dat hun kinderen leren in een veilige en stimulerende omgeving, waarin het onderwijs kan worden afgestemd op het temperament, de leerstijl en de interesses van hun kind, met individuele begeleiding en waarin de grenzen van een klaslokaal of een star tijdrooster geen beperking vormen. Ook willen ouders hun levensbeschouwing doorgeven, zoals de meeste ouders dat doen. De meerderheid van de Nederlandse ouders is vrij om een school te kiezen die bij hun levensovertuiging past, en die zelfs versterkt. Maar niet alle ouders hebben die mogelijkheid.
Een fundamentele overtuiging van veel Nederlandse ouders, ook als ze geen thuisonderwijs overwegen, is dat hun kinderen niet per se het beste af zijn op school, los van de keuzevrijheid. Er is al decennialang kritiek op het Nederlandse schoolsysteem dat natuurlijke ontwikkeling belemmert, nieuwsgierigheid onderdrukt, competitie en conformisme bevordert en onnodige stress veroorzaakt door overmatig toetsen. Ouders maken zich ook terecht zorgen om de kwaliteit van het onderwijs.
Veel critici zullen zelf een positieve ervaring hebben met het schoolsysteem. Vrijwel iedere academische onderzoeker, beleidsmaker en minister heeft op de middelbare school immers een vwo-traject gevolgd. Maar deze ervaringen zijn niet typerend. Empirisch onderzoek en inspectierapporten hebben herhaaldelijk de systemische tekortkomingen van het schoolsysteem goed gedocumenteerd. Het systeem is sterk gelaagd en gesegregeerd. Vroege selectie en voortdurende toetsing versterken ongelijkheid. Schoolbezoek blijkt geen betrouwbare voorspeller voor het verwerven van elementaire academische vaardigheden: momenteel is één op de drie vijftienjarigen in Nederland laaggeletterd. Daarnaast leidt pestgedrag op scholen voor duizenden kinderen tot chronische angst, depressie, ziekte en een onvermogen om zich te concentreren of te leren. Om het nog maar niet te hebben over het lerarentekort (en onbevoegde vrijwilligers voor de klas, ironisch genoeg vaak ouders) of ouders die oplossingen buiten het bekostigde onderwijs zoeken (zoals duur particulier onderwijs of bijles).
Schoolbezoek is dus geen garantie dat een kind ook daadwerkelijk onderwijs krijgt. Ook overheidstoezicht betekent niet dat een kind leert, wordt uitgedaagd, tot bloei komt of zelfs maar veilig is. In dat licht is de poging van #BOOS om thuisonderwijs in diskrediet te brengen door twee schrijnende gevallen van ouderlijke verwaarlozing prominent uit te lichten, een klassiek voorbeeld van een reductio ad absurdum. Hoe tragisch ook, deze ervaringen zijn niet representatief.
Ongetwijfeld komen, net als bij gezinnen met schoolgaande kinderen, geïsoleerde gevallen van mishandeling of verwaarlozing voor, maar niet op een schaal die vergelijkbaar is met de mate van mishandeling, verwaarlozing en onderwijsmislukking die onder de door de staat gecontroleerde omstandigheden van leerplichtonderwijs regelmatig voorkomen.
Thuisonderwijs is niet altijd te verkiezen boven school en ook geen wondermiddel tegen de problemen van het schoolsysteem. Niet alle ouders hebben de kwaliteiten en capaciteit om thuisonderwijs te geven. Daarom moet er een vorm van regulering komen, precies datgene waar veel Nederlandse thuisonderwijzers voor pleiten. Dat de Nederlandse autoriteiten zo’n regeling nog niet hebben getroffen, is niet de schuld van deze ouders; die verantwoordelijkheid ligt bij de overheid.
De eisen voor een dergelijke regeling moeten niet discriminerend en bestraffend zijn, maar redelijke criteria stellen aan een veilige thuissituatie en de mogelijkheden van ouders. Het ministerie kan ook veel leren van goede praktijken in andere landen, zoals Denemarken, Ierland, Australië en het Verenigd Koninkrijk, in plaats van de draconische stap te zetten om thuisonderwijs simpelweg nog moeilijker te maken dan het nu al is.