
Als de bezuinigingsplannen van het kabinet-Jetten doorgaan, blijft van de WW en de WIA straks nog maar weinig over. Deze regelingen bieden dan nauwelijks nog inkomensbescherming. Zelfs de hoogste inkomens zien hun besteedbaar inkomen helemaal verschrompelen. Ons ooit zo befaamde stelsel van sociale zekerheid wordt daarmee ten grave gedragen.
Vanaf de zestiger jaren van de vorige eeuw werd in ons land gebouwd aan een stelsel van sociale zekerheid, dat in heel Europa met jaloerse blikken werd bekeken. Nederland kreeg het predicaat van verzorgingsstaat en was daarmee een lichtend voorbeeld voor veel omringende landen. Maar nog geen twee decennia later sloeg het tij om. Aan het begin van de tachtiger jaren deed het neoliberalisme haar intrede in ons politieke landschap en veroorzaakte een heuse trendbreuk met het verleden. Volgens die visie moest de overheid minder zorgen voor haar burgers en zich beperken tot een ondersteunende rol. De verzorgingsstaat veranderde langzaam in een samenleving waarin vooral wordt gekeken naar de eigen verantwoordelijkheid, zelfredzaamheid en economische inzetbaarheid.
Het welzijn van de burger verschoof naar het tweede plan en van de idee dat een economie toch dienstbaar aan de mens moet zijn, bleef maar weinig over. Het gevolg hiervan was dat mensen die door ziekte of gebreken gehandicapt zijn of zij die ontslagen zijn, voortaan slechts beschouwd werden als pechvogels, die zo snel mogelijk moesten participeren. Hoe minder financieel comfort voor deze groep, des te gemotiveerder zij zijn om weer aan het werk te gaan, zo luidde het neoliberale credo. Vanaf de tachtiger jaren heeft het socialezekerheidsstelsel vooral in het teken gestaan van bezuinigingen. Regelingen voor werkloosheid, arbeidsongeschiktheid en bijstand hebben in de loop der tijd, zij het in kleine stappen, per saldo grote veranderingen doorgemaakt.
Met een overwicht aan christen- en sociaaldemocraten in de nieuwe regering zou je verwachten dat de scherpste kantjes van het neoliberale beleid wat afgevlakt zouden worden. De eerste alinea van de sociale paragraaf in het regeerakkoord bevestigt die aanname ook. Daar staat immers: “wie niet kan werken moet kunnen vertrouwen op een goed stelsel van sociale zekerheid”. Maar"the proof of the pudding is in the eating", zoals een bekend Engels spreekwoord luidt. Dat is maar goed ook, want wie kijkt naar de concrete voorstellen en dan doorrekent wat de veranderingen in de portemonnee betekenen, ziet een heel ander beeld opdoemen.
Wie nu werkloos wordt, bouwt voor elk gewerkt jaar één maand WW op tot een maximum van 24 maanden. In de plannen van het kabinet wordt dat een halve maand per gewerkt jaar, met een maximum van 12 maanden. Ook het loon waarover de WW wordt berekend, gaat omlaag. Nu is dat maximaal 79.409 euro bruto per jaar. Dat wordt volgens de plannen verlaagd met 20 procent, naar 63.527 euro.
Voor mensen die arbeidsongeschikt raken, zijn de plannen nog ingrijpender. Zo verdwijnt het onderscheid tussen gedeeltelijk- en volledig arbeidsongeschikten. De wet Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA) komt te vervallen en vallen volledig arbeidsongeschikten straks ook onder de Wet Gedeeltelijk Arbeidsongeschikten (WGA). Dat betekent direct al een achteruitgang van 75 procent naar 70 procent van het oude loon.
De WGA onderscheidt een loongerelateerde uitkering en een vervolguitkering. De loongerelateerde uitkering bedraagt 70 procent van het loon en de uitkeringsduur wordt straks eveneens als de WW, beperkt tot maximaal 12 maanden. Om voor een vervolguitkering in aanmerking te komen moet betrokkene werk vinden waarmee hij of zij tenminste nog de helft van zijn resterende verdiencapaciteit kan verdienen. In theorie klinkt dat redelijk, maar de praktijk blijkt vaak veel weerbarstiger te zijn. Hoe vaak duiken in de media niet verhalen op over zeer schrijnende gevallen? En schrijnend is het! Want als je niet direct een passende baan vindt, daalt de vervolguitkering, afhankelijk van het arbeidsongeschiktheidspercentage, naar een niveau van tussen de 28 tot 50,75 procent van het minimumloon. En dat moment komt door de duurverkorting van de loongerelateerde uitkering snel in zicht.
Ernstige gevolgen zijn ook te verwachten van de verlaging van het maximum verzekerde loon, waarop de uitkeringen gebaseerd worden. De verlaging van het maximaal verzekerde loon naar 63.527 euro betekent dat een uitkering nooit hoger zal zijn dan 70 procent hiervan, oftewel maximaal 44.469 euro bedraagt. Maar dat is nog niet alles. Mensen die met arbeid hun inkomen verdienen hebben recht op een zogenaamde arbeidskorting, die bij eenzelfde brutoloon 5.663 euro bedraagt. Dat bedrag wordt afgetrokken van de verschuldigde inkomstenbelasting. Maar deze korting geldt niet voor mensen met een uitkering. Zij hebben dus al snel 472 euro per maand minder te besteden dan iemand die hetzelfde bruto-inkomen met werk verdient.
Wel komt het gezin, in geval van een alleenverdiener, in aanmerking voor huur- en zorgtoeslag. Maar die bedragen zijn aanzienlijk lager dan een gezin in de bijstand. In een interessant artikel in een publicatie van het wetenschappelijk bureau van NSC, dat op 17 maart 2026 verscheen, rekent oud-politicus Pieter Omtzigt voor, dat een zeer goed verdienende kostwinner die werkloos of volledig arbeidsongeschikt raakt, door het hogere toetsingsinkomen, ruim 400 euro minder aan toeslagen ontvangt dan een echtpaar in de bijstand. Zo’n gezin houdt daardoor netto slechts 100 euro méér over. Maar als ook rekening wordt gehouden met gemeentelijk minimaregelingen, waar bijstandsgerechtigden voor in aanmerking komen, wordt het verschil zelfs negatief.
Dat roept de fundamentele vraag op: Wat is nog de waarde van de WW en WIA? Deze regelingen zijn ooit bedoeld als verzekering tegen inkomensverlies bij werkloosheid en arbeidsongeschiktheid.
Als dit het perspectief is voor alleenverdieners, zelfs voor diegenen die eerder tot de top- inkomens behoorden, kan geconcludeerd worden dat de werknemersverzekeringen in hun uitwerking geen betekenis meer hebben. Voor het uiteindelijk te besteden inkomen maakt het feitelijk niets meer uit of het inkomen vanuit de gemeentelijke bijstand of van het UWV komt. Het enige verschil is dat in geval van de bijstand ook rekening gehouden wordt met de vermogenspositie en de verdiencapaciteit van de partner.
Bij het doorgaan van de plannen is van een inkomensbescherming, die de sociale verzekeringswetten toch ooit beoogden, niets meer over. Desondanks dragen werkgevers nog altijd 20 tot 25 procent van de loonsom af voor deze voorzieningen. Hoelang zullen zij zich nog stilhouden? En hoelang zullen de vakbonden nog wachten om deze gelden als besteedbaar loon op te eisen? Als dat zou gebeuren heeft het Kkbinet zich te rijk gerekend. De voorgenomen bezuinigingen op de sociale zekerheid zouden zich dan in het tegendeel keren.
Meld je hieronder gratis aan voor Joop NL. Iedere donderdag een selectie opvallende nieuwsverhalen, opinies en cartoons in je mailbox.