
Afgelopen week presenteerde de Europese Commissie haar plannen voor de aanpassing van het Europese emissiehandelssysteem (ETS), een belangrijk instrument voor de verduurzaming van de industrie. Het klinkt technisch en saai, niet iets waar jij je als burger in zou moeten verdiepen, laat staan over opwinden, maar toch raakt jou dit meer dan je zou vermoeden.
Terwijl de hittegolf in Europa vorige maand al voor tienduizenden meer sterfgevallen heeft gezorgd, lijkt de Europese politiek een opmerkelijke conclusie te trekken: de grootste uitstoters verdienen meer ademruimte. De Europese Commissie wil het ETS aanpassen op een manier die de industrie langer de tijd geeft om te verduurzamen. Dit is niet slechts een technische keuze over verduurzaming en concurrentievermogen, maar een fundamentele keuze over wie de rekening van de klimaatcrisis betaalt. Het blijft noodzakelijk om als continent klimaatneutraal te worden, de klimaatdoelen blijven staan. Iedere extra ton CO₂ die de industrie mag uitstoten, betekent dat ergens anders een ton extra moet worden bespaard. Drie keer raden wie dan een tandje bij mag zetten…
De natuur onderhandelt niet mee
De hittegolven, droogtes en branden die Europa deze zomer opnieuw teisteren zijn geen incidenten meer. Ze passen in een patroon dat klimaatwetenschappers al jaren beschrijven: extremer, langduriger en frequenter. De vraag is daarom niet óf Europa sneller moet verduurzamen, maar wie de grootste inspanning levert. Precies daar wringt het voorstel van de Commissie.
Wie de verduurzaming van staal-, chemie- of cementbedrijven vertraagt, verschuift de opgave naar andere sectoren. Naar woningen die sneller van het gas af moeten. Naar automobilisten die meer gaan betalen voor fossiele brandstoffen. Naar huishoudens die hun energieverbruik verder moeten terugdringen. De uitstoot verdwijnt immers niet vanzelf; alleen de verantwoordelijkheid verschuift.
Daarmee verandert een ogenschijnlijk technische aanpassing van het ETS in een politieke keuze over verdeling. Niet de vraag óf Europa zijn klimaatdoelen haalt, maar wie daarvoor de prijs betaalt. En die prijs wordt nu al onevenredig vaak bij burgers neergelegd.
De vervuiler betaalt niet
Jarenlang profiteerde de Europese industrie van gratis emissierechten en uitzonderingsregelingen, bedoeld om internationale concurrentienadelen te voorkomen. Maar inmiddels beschikt Europa over instrumenten zoals de CO2-grensheffing, juist ontwikkeld om bedrijven te beschermen tegen oneerlijke concurrentie van buiten Europa. Dat maakt het steeds moeilijker te rechtvaardigen dat dezelfde industrie opnieuw om extra tijd en uitzonderingen vraagt.
Ondertussen ervaren burgers klimaatbeleid vooral via hun energierekening, hun brandstofkosten of de investering die nodig is om hun huis te verduurzamen. Onderzoek van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) laat zien dat we over de CO2-uitstoot in verschillende delen van de economie extreem uiteenlopende belastingen betalen. Per ton CO2 betalen burgers via hun energierekening en voor vervoer aanzienlijk meer dan de grote industriële uitstoters. Wie nu opnieuw besluit de industrie te ontzien, vraagt dus niet om een gelijk verdeelde inspanning. Hij vraagt burgers om nóg meer te doen. Zeker nu er ook nog een ETS voor de gebouwde omgeving en transport aan zit te komen waardoor ook burgers een ETS-prijs gaan betalen.
Klimaatrechtvaardigheid
Het principe ‘de vervuiler betaalt’, waar het ETS op gestoeld is, wordt hiermee ondermijnd. Dat is niet alleen onrechtvaardig, maar ook politiek kortzichtig. Het draagvlak voor klimaatbeleid staat of valt niet met de vraag of mensen de klimaatwetenschap geloven. Het staat of valt met de vraag of mensen vinden dat klimaatbeleid eerlijk is. Uit recent onderzoek het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) blijkt opnieuw dat mensen wel klimaatbeleid willen, als het maar eerlijk is. Uit een peiling blijkt dat in Nederland 84% vindt dat grote uitstoters meer moeten betalen voor hun vervuiling. Zodra de indruk ontstaat dat grote vervuilers opnieuw worden ontzien terwijl huishoudens steeds dieper in de buidel moeten tasten, verdwijnt het vertrouwen waarop effectief klimaatbeleid juist is gebouwd.
Het is daarom gevaarlijk om de herziening van het ETS te reduceren tot een debat over industriebeleid en concurrentiekracht. Natuurlijk heeft Europa een sterke industrie nodig. Natuurlijk moeten bedrijven kunnen investeren in verduurzaming zonder weggeconcurreerd te worden. Maar concurrentiekracht mag geen synoniem worden voor uitstel. Niet voor niets pleitten ook industriële voorlopers voor een stevig en ambitieus ETS.
Klimaatbeleid dat de zwaarste lasten legt bij degenen die het minste uitstoten, is niet alleen oneerlijk. Het is uiteindelijk ook onhoudbaar. Terwijl Europa letterlijk in brand staat, is er eigenlijk nog maar één verdedigbare keuze mogelijk: Geef de industrie geen extra ruimte. Laat juist degenen die het meest uitstoten ook het snelst verduurzamen. Alleen zo blijft de klimaattransitie eerlijk, geloofwaardig en effectief.