
Nagenoeg iedereen kent box 1 en box 3 van de Inkomstenbelasting. Minder bekend is box 2, die in de volksmond ‘de pretbox’ wordt genoemd. Directeuren van besloten vennootschappen (BV’s) rekenen daar hun winstuitkeringen in af. Maar omdat het voordeliger is om de winst in de BV op te potten, gaan vele miljarden aan belastingen voorlopig aan onze neus voorbij. Maatregelen om te breken met die praktijk zijn harder nodig dan ooit.
Onze overheid lijkt in een voortdurende staat van budgettair onvermogen te verkeren. Hoofdoorzaak is dat er te weinig belasting wordt opgehaald om alle plannen uit te kunnen voeren. En dat ligt niet aan te lage belasting op arbeid, want die ligt al ruim boven het Europees gemiddelde. Maar de vermogenskant is een heel ander verhaal. Als rekening gehouden wordt met alle fiscale faciliteiten, zoals de hypotheekrenteaftrek, de onbelaste pensioenopbouw, het lage instaptarief voor vennootschapsbelasting en de heffing op aanmerkelijkbelangwinsten, dan is de belastingopbrengst uit vermogen in ons land, in afwijking van alle andere Europese landen, negatief. Dat wil zeggen dat het totaal aan fiscale subsidies groter is dan het bedrag aan werkelijk ontvangen belastingen op vermogensbestanddelen. Gelet op alle geplande (extra) investeringen in defensie, infrastructuur, energietransitie is dit stelsel niet langer vol te houden. Linksom of rechtsom zullen alle vermogensbestanddelen opnieuw tegen het licht moeten worden gehouden. En dat varieert van discussies over nut en noodzaak van instandhouding van het lage instaptarief in de vennootschapsbelasting tot de fiscaal onbelaste vermogensopbouw van pensioenen en de effectiviteit van de hypotheekrenteaftrek.
Een vermogensbestanddeel dat minder belicht wordt is de belasting op winstuitkeringen aan directeuren-grootaandeelhouder (DGA’s) die meer dan 5 procent van de aandelen bezitten. Deze DGA’s hebben de keuze om de winst, die hen per jaar toekomt, onmiddellijk uit te laten keren of in de BV te laten zitten. Zodra het wordt uitgekeerd valt het in box 2 van de Inkomstenbelasting en betaalt de DGA een percentage van 24,5 procent en boven de 68.843 euro (2026) 31 procent hierover. De verleiding om het geld in de BV te laten zitten is groot, omdat het in de BV vaak beter kan renderen dan in box 3. Daar komt bij dat de DGA de winstreserves, ook wel aangeduid als aanmerkelijk belang (A.B.), als onderpand kan gebruiken om geld voor privédoeleinden van de BV te lenen. Dat is inmiddels wel gemaximeerd op 500.000 euro, overigens exclusief de hypotheek op een eigen woning. Volgens het CBS bedraagt de schuld van DGA’s aan hun eigen BV in totaal ruim 60 miljard euro, terwijl het totale A.B.- vermogen inmiddels een slordige 600 miljard euro bedraagt, dat voor driekwart bij de top 1-procent rijkste huishoudens geconcentreerd is.
Als alle DGA’s hun A.B.-vermogen in één keer zouden laten uitkeren zou dat de schatkist ongeveer 180 miljard euro opleveren. Het is dan ook logisch dat in de discussies over de begrotingsperikelen met argusogen naar box 2 wordt gekeken. Er ligt inmiddels een kabinetsvoorstel om het maximumtarief van 31 te verlagen naar 29,2 procent, om zo meer DGA’s te bewegen om hun ingehouden winsten op te nemen. Ook is het voorstel om het lenen van de BV voor privédoeleinden in vijf jaar tijd terug te brengen naar 100.000 euro. Of dit idee enig effect zal sorteren is nog maar zeer de vraag. Als het geld uit de BV gehaald is, zal in de toekomst jaarlijks in box 3 afgerekend worden. Ook zijn er plannen om in 2027 het forfaitair rendement op beleggingen te verhogen naar 7,87 procent. In combinatie met het lage vennootschapstarief, van 19 procent tot een grensbedrag van 200.000 euro, blijft beleggen in de BV dus meestal aantrekkelijker.
Bij de totstandkoming van het boxenstelsel is onvoldoende voorzien dat een BV ook als een beleggingsvehikel zou gaan functioneren. Die weeffout moet hersteld worden. Het stelsel nodigt uit tot belastingarbitrage en oneigenlijk gebruik. Waarom tolereren wij bijvoorbeeld nog de spaar-BV?
Om een einde te maken aan de rechtsongelijkheid tussen box 2- en box 3-beleggers zouden alle beleggingen, what’s in the name, in box 3 belast moeten worden en zouden (verkapte) beleggingen in box 2 uitgefaseerd dienen te worden. Dat zou betekenen dat we teruggaan naar de regeling zoals die vóór 1997 bestond. Winstuitkeringen aan A.B.-houders werden toen, net als opbrengsten uit andere vermogens- en inkomstenbronnen, progressief belast. Winstinhoudingen blijven ook in de toekomst natuurlijk nodig, maar die zouden niet groter mogen zijn dan de som van de boekhoudkundige afschrijvingen op activa. En geld voor nieuwe investeringen kunnen eenvoudig aan box 3 beleggingen onttrokken worden.
Als we er gemakshalve van uit mogen gaan dat van de 600 miljard A.B.-vermogen tenminste de helft bedoeld is als belegging, dan zou er in totaal 300 miljard vrijkomen.
Gesteld dat de uitfasering in vijf jaar plaatsvindt, dan gaat het om een jaarlijkse vrijval van tenminste 60 miljard euro. Tegen een percentage van ongeveer 30 procent zou het dan gaan om een extra belastingopbrengst gedurende de eerste vijf jaren van ongeveer 18 miljard euro per jaar.
Dat zou een welkome surprise zijn voor de armetierige schatkist. De extra uitgaven voor defensie, zorg, infrastructuur, etc., inclusief de reparatiekosten van box 3, kunnen hiermee betaald worden.
Maar nog belangrijker is dat de weeffout in het verleden, die tot veel belastingarbitrage en oneigenlijk gebruik geleid heeft, een halt wordt toegeroepen. Voortaan worden alle beleggingen en zonder uitzondering op uniforme wijze in box 3 belast. De BV als rechtsvorm blijft zo voorbehouden voor ondernemers die hun aansprakelijkheidsrisico willen inperken. De fiscale pret met box 2 is dan definitief uit en zo hoort het ook in een beschaafd belastingstelsel.