Wij zijn voor een open, rechtvaardig en gelijkwaardig Nederland.

Natascha van Weezel over intergenerationeel trauma: 'Ik heb de angst in de ogen van mijn grootouders gezien'

theme-icon
Mentaal
Gisteren
leestijd 8 minuten
440 keer bekeken
Oorlog is Erfelijk - Natascha van Weezel

Oorlog is Erfelijk - Natascha van Weezel

© Berry van Galen

Als ervaringsdeskundige interviewt ze mensen met intergenerationeel trauma. ‘Ik ben ook op zoek naar de lichte kanten binnen de zwaarte.’

‘Je kan proberen trauma naar beneden te duwen,’ zegt Natascha van Weezel in Oorlog is erfelijk tegen een van haar gasten, ‘maar trauma is als een bal vol lucht, het wil altijd naar boven.’ Ook aan hoe ze naar de oude pasfoto van een andere geïnterviewde kijkt, weet je: Van Weezel is een interviewer met compassie. Met kennis van zaken. Het is een foto uit het oude paspoort van Mustafa Hadziibrahimovic die op z’n veertiende uit Bosnië-Herzegovina vluchtte. ‘Die ogen…,’ zegt ze met tranen in die van haarzelf. Dan weet je ook: ze put uit eigen ervaring. Oorlog is ook haar erfenis.

Voor het vierdelige televisieprogramma interviewde de televisiemaker-schrijver-journalist mensen uit verschillende generaties over hoe oorlog doorwerkt in levens en families, ook wanneer de oorlog allang voorbij is. Voormalig tv-presentator Marga van Praag, oud-politicus Gerrit Jan Wolffensperger, acteur Beau Schneider, een voormalig kindsoldaat, een overlevende van een Japans interneringskamp – om een paar voorbeelden te noemen – worden door Van Weezel ondervraagd voor het programma dat ze sinds 2021 presenteert. Oorlog is erfelijk is een samenwerking tussen de internationale hulporganisatie War Child en BNNVARA, de regie is in handen van Deborah van Dam.

Over het programma 'Oorlog is erfelijk'

In het vierluik ‘Oorlog is Erfelijk’ van BNNVARA en War Child spreekt journalist Natascha van Weezel met verschillende generaties over hoe oorlog, ook lang nadat het geweld is gestopt, doorwerkt in levens en families. Onder anderen Jeugdjournaal-icoon Marga van Praag, oud-politicus Gerrit Jan Wolffensperger en acteur Beau Schneider delen hun persoonlijke verhaal. Met hun verhalen vragen zij aandacht voor kinderen die nú opgroeien in oorlogssituaties.

In 2024 publiceerde Van Weezel het veelgeprezen essay Hoe houd je je hart zacht . Ze omarmde de positieve reacties op dit ‘pleidooi voor het radicale midden in tijden van oorlog ’, weerstond het negatieve geklaag (en een paar serieuze bedreigingen) en is nu druk met het geven van lezingen (‘het is altijd druk rond deze tijd van het jaar’) en het bedenken van een titel voor haar nieuwste boek dat volgend jaar januari verschijnt: een boek met levenslessen van de laatste ooggetuigen van de Tweede Wereldoorlog. Ze maakt er voor de EO ook een documentaire over.

De oorlog. Altijd die oorlog.

‘Ik hou me met grote onderwerpen bezig,’ vertelt Van Weezel als ik haar thuis aan de ronde eettafel spreek. ‘Met polarisatie, democratie, rechtsstaat, hoe we met elkaar omgaan. Fascisme, genocide… Ja, ik weet het, het zijn niet de allervrolijkste onderwerpen.’

Maar ja, andere mensen doen de andere onderwerpen.

Precies. Al merk ik dat ik ook op zoek ben naar de lichte kanten binnen de zwaarte. In deze tijd heb ik behoefte aan hoop.

Ja? Ja, om niet gek te worden misschien. Om de wereld te veranderen – al is dat waarschijnlijk een illusie. Om me niet over te geven aan de grillen en alle enge dingen die er gebeuren. Ik krijg weleens het verwijt: oh ja, Natascha, die is helemaal op dat Jodendom. Terwijl, ik denk: wat is Jodendom precies? Ik ben niet religieus, bijvoorbeeld. Het is voor mij vooral een manier om grotere thema’s te duiden.

Je werk gaat grotendeels over de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust. Je ouders (journalist Anet Bleich en de in 2019 overleden journalist Max van Weezel, red. ) zijn Joods en tweede generatie oorlogsoverlevenden, jij bent de derde generatie. Is dat die bal die naar boven wil?

Het is dat zoeken naar hoop. De mensen die ik voor Oorlog is erfelijk heb geïnterviewd, en nu voor mijn boek, hebben de ergste dingen meegemaakt die er bestaan. Zij zijn gevlucht, hebben in kampen gezeten, hun ouders zijn vermoord, ze zijn in pleeggezinnen ondergebracht. Ik bedoel, als het hen is gelukt om verder te leven, om een mooi en waardevol bestaan op te bouwen – niet vrij van trauma’s uiteraard maar toch – dan wil ik weten: hoe doen ze dat? Hoe ga je door na zo’n verschrikking?

Het is te kort door de bocht om te vragen wat we ervan kunnen leren…

Ja, maar ik kan hun verhaal naar voren brengen. Je zou kunnen zeggen dat ik juist nu de wijze lessen van mijn grootouders wil horen, maar omdat die er niet meer zijn ga ik ze bij anderen halen. Wat we leren? Misschien vooral dat we in deze tijd voor lief nemen wat vrijheid écht betekent. Dat we als toeschouwers naar deze onrustige tijden zitten te kijken.

Is dat de reden dat je dit programma dit jaar wilde maken?

Er leven op dit moment 520 miljoen kinderen in oorlog. Het aantal is weer gegroeid ten opzichte van vorig jaar. Zes miljoen Joden… 520 miljoen kinderen… die getallen zijn niet te overzien, dus als ik iets voor kinderen in oorlog kan doen dan doe ik dat. War Child doet belangrijk werk, omdat zij in oorlogsgebieden meteen met kinderen aan het werk gaan door psychosociale hulp te bieden, door onderwijs, muziek, sport en spel. Dat is cruciaal voor de verwerking.

Ik las dat jij op je vierde al wist wat de Holocaust was.

Oh ja, minstens. Er zijn denk ik twee manieren om met oorlogstrauma om te gaan. Je hebt de zwijgende families, daar hoor je eigenlijk vrij vaak over, en je hebt de families waar heel veel gepraat wordt. Het zijn twee kanten van dezelfde medaille, van hetzelfde trauma. Nou, mijn familie behoort tot de laatste categorie. Mijn oma praatte veel over de oorlog. Ik bedoel: echt zó veel.

Mijn moeder heeft wel eens verteld dat toen ze me een keer kwam ophalen – ik was één en zat nog in de box – mijn oma tegen me aan het vertellen was over haar broer en haar zus die waren vermoord.

Dat was ook in de familie bij Marga van Praag zo. Zij vertelt in het programma dat ze elke keer als het donker werd onder tafel ging zitten.

Bij Marga was het net anders, zij spraken constant in dezelfde anekdotes. Er werd wel gepraat, maar altijd in bepaalde zinnen. Wat ze echt voelden, zeiden ze niet. (Van Weezel is even stil). Misschien is dat wel hetzelfde als bij mij eigenlijk.

De vader van Marga was helemaal angstig, die zei: als God het wil, kan zelfs een banaan afgaan. Dat herken ik, want mijn oma zei: Nu schijnt de zon, maar het kan zo weer gaan regenen. Het lijken een soort tegeltjeswijsheden, maar het heeft invloed. Je gaat denken dat er achter elke hoek gevaar schuilt.

Ik zag in alle interviews twee terugkerende constanten. De geïnterviewden wilden het verdriet van hun ouders goedmaken én ze waren er bijna allemaal van overtuigd dat ze het trauma niet aan hun eigen kinderen hadden doorgeven. Hoe kijk jij daarnaar?

De vader van Beau, acteur Eric Schneider, zei het letterlijk tegen hem: ‘Er zit vierenvijftig jaar tussen ons, ik denk niet dat ik de oorlog aan je heb doorgegeven.’ Tja. Je kind is je achilleshiel, het is je grootste wens dat je het niet doorgeeft. Alleen denk ik niet dat het verschil in leeftijd ermee te maken heeft, of dat er tijd eroverheen is gegaan. Het gaat over wat jij voelt, want een kind heeft niet altijd woorden nodig om iets te begrijpen.

Je verdriet heeft altijd een uitlaatklep nodig. Dat kan met therapie, in allerlei vormen, maar voor sommigen helpt het om te gaan schrijven, om te acteren of zingen.

Negentien jaar geleden schreef je het boek Magere jaren over je anorexia die je als puber ontwikkelde. Ik vroeg me af of je ziekte destijds met dat doorgeven van trauma te maken had? Wil je het daar over hebben eigenlijk?

Ja. En ja. Toen ik jong was, nog vóór mijn anorexia, durfde ik niet te slapen zonder radio en licht aan. Ik was vier of vijf. Ik dacht dan horen mensen dat ik thuis ben en dan komen ze me halen. Wat voor mensen, vroegen mijn ouders. Ja, enge mannen.

Als trauma niet altijd in woorden wordt doorgegeven, hoe ging dat dan bij jou?

Ik voelde in mijn familie altijd een onbeschrijfelijk groot verdriet. Ik wist van de oorlog, maar als klein kind koppel je die twee zaken niet per se aan elkaar. Je ziet gewoon dat opa en oma verdrietig zijn.

Die ogen…

Ik heb de angst in de ogen van mijn grootouders gezien. Die lege blik, dezelfde als bij de veertienjarige Mustafa. Als je goed kijkt zie je er angst onder, alsof diegene er niet helemaal bij is.

Ik ben opgegroeid in een huis vol Holocaustliteratuur. Mijn ouders waren altijd met de oorlog bezig. Mijn vader werkte dag en nacht, was nooit thuis, en toch bang te mislukken. Mijn moeder zocht altijd naar veiligheid.

Zonder dat iemand je de opdracht geeft, ga je compenseren. Ik ook. Ik was lief en vrolijk, want ik wilde mijn grootouders, maar ook mijn ouders, gelukkig maken en hen niet met futiliteiten lastigvallen. Want ja, vergeleken met Auschwitz is alles een futiliteit.

Was er een concrete aanleiding waarom je stopte met eten?

Ik werd gepest op school omdat ik dik was. En dacht ik, nou dan ga ik wat afvallen. Daar was ik goed in. Toen ging ik nog meer afvallen en dat werd anorexia. Uiteindelijk heb ik natuurlijk veel over de ziekte geleerd. Dat het niet over eten gaat bijvoorbeeld, maar over controle hebben.

Wat was het kantelpunt?

Op een gegeven moment ben ik heel boos geworden. Ik zei tegen mijn ouders: Ik mocht nooit zeggen wat ik voelde. Maar dat was helemaal niet zo. Ik moet dat zelf bedacht hebben, zelf hebben verzonnen dat daar geen ruimte voor was.

Het positieve van mijn anorexia was dat ik in therapie moest. Ik kwam in een groepstherapiesetting terecht en alle meisjes daar hadden trauma’s. Ze waren verkracht, een van hun ouders was heel jong overleden, het was allemaal heel erg. En ik dacht: wat heb ik?

Nou?

Toen zei ik – mijn vader was bij de sessie aanwezig – dat het toch die oorlog was. Mijn vader riep: dat kan niet!

Hij dacht: mijn moeder heeft er zo veel over gepraat, ik ga het anders doen. Ik denk trouwens dat elke generatie dat denkt: ik ga het helemaal anders doen dan mijn ouders en dan geef ik het niet door. Maar ik vind het niet gek dat mijn ouders het hebben doorgegeven. Ze zijn allebei in 1951 geboren, in Den Haag opgegroeid, in een gedecimeerde Joodse gemeenschap. Met dat gemis, met die pijn, met de wetenschap dat zij tien jaar daarvóór niet mochten bestaan. Hoe zou het hen dan níet kunnen hebben beïnvloed? Zij hebben mij met hun beste kunnen opgevoed. De enige troost is dat het met elke generatie milder wordt.

Wat heeft therapie jou geleerd?

Ik ben gaan praten. Ik ben naar Auschwitz geweest en heb vijf dagen gehuild. Toen wist ik: het zit in me. Maar goed, daarna ben ik gewoon gaan studeren en heb ik een superleuk studentenleven gehad. Dat kan goed naast elkaar bestaan.

Ik wil je ook niet tot enkel oorlog reduceren.

Nee, nee, maar het is het bijzondere van trauma. Je denkt, getraumatiseerde mensen dat zijn heel zielige mensen die de hele dag in bed liggen of gek zijn, maar dat is te smal. Bij intergenerationeel trauma kun je in tijden erg gelukkig zijn. Het zijn vaak heel veerkrachtige mensen.

En de vierde generatie? Je hebt twee zoons van drie en één jaar oud.

Daar denk ik veel over na. Maar mijn man is niet-Joods. Dat klinkt nu niet heel vriendelijk, maar ik bedoel: hij heeft niet dat verleden, hij heeft een heel ander verleden, hij komt gewoon uit Zeist. Mijn vader werkte honderd uur in de week, mijn moeder was met alle nieuwe oorlogen in de wereld bezig, in de hoop een nieuwe ramp voor te kunnen zijn. Dat probeer ik minder te doen, ik laat de dag vaak de dag zijn.

Ik race met autootjes, ik maak puzzelboekjes, ik ben veel met de kinderen. En ik vind het belangrijk dat ze alles mogen vragen en over hun gevoelens mogen praten. Ik hoop dat ze een zekere speelsheid behouden. En dat dat helpt. Maar ik leef niet in de illusie dat ze nooit iets van de oorlog meekrijgen. Ik hoop wel dat het voor hen weer een afgezwakte vorm is van wat ik heb meegekregen.

Meer over dit onderwerp?

Dit artikel verscheen eerder in de VARAgids. Als eerste lezen? Word abonnee.

Delen:

Reacties (0)

BNNVARA nieuwsbrief

Meld je snel en gratis aan voor de BNNVARA Nieuwsbrief!

Meer over dit onderwerp

BNNVARA wij zijn voor