
Jan van Poppel: 'Als alles belangrijk wordt gemaakt, is uiteindelijk niets écht belangrijk'
© Wijnanda Duits/BNNVARA
Tijdens een rit door de Betuwe ziet columnist Jan van Poppel koeien grazen naast een McDonald’s-afrit. Alsof ze al in de rij stonden om onderdeel van het menu te worden.
In mijn gammele Ford Ka reed ik afgelopen zondag vanuit Utrecht richting mijn ouders in Valkenswaard. Iets tussen ‘avontuur’ en ‘APK-afkeur’ in. Dwars door de Betuwe, waar de fruitbomen al voorzichtig in bloei stonden. Appels, peren, ik weet het niet, ze lijken in elk geval opvallend veel op elkaar, spreekwoord of niet. Ook zag ik ineens overal kieviten. Duikend, stijgend, weer duikend. Druk bezig, vermoedelijk om indruk te maken op een ‘chickie’.
Een cliché lentetafereel, maar precies wat ik nodig had. Zin in zon op m’n gezicht. Zin in die typische geur van net-niet-warm gras en bloesem. Zin in volle terrassen, mensen die ineens weer bestaan. Gewoon: zin in het leven, zoals dat zich elk jaar weer opnieuw aandient.
Maar vrijwel meteen was daar de reality check. Pal langs de snelweg stond een kudde koeien. (Heet dat een kudde? Ik denk het wel.) Onaangedaan, onverstoorbaar, voor de zoveelste keer hetzelfde taaie Engelse raaigras herkauwend. Op de achtergrond een boerderij die zo uit een puzzel van duizend stukjes lijkt te komen, inclusief stal waar ze de afgelopen winter vermoedelijk hutjemutje hebben doorgebracht. Idylle, maar dan met een randje.
En dat randje kreeg ineens hoofdletters. Midden tussen de koeien stond een bord: ‘MCDONALD’S AFRIT 15’. Alsof ze al netjes in de rij stonden voor het menu waar ze zelf onderdeel van worden.
Ik bleef er net iets te lang naar kijken. Naar die dieren, die nergens heen gingen, en dat bord, dat juist alles in beweging zet. Snel, efficiënt. De belofte van een warme hap binnen vijf minuten. Het voelde ongemakkelijk, juist omdat het zo klopte. Alsof de hele keten, van weiland tot wegrestaurant, daar even samenviel in één beeld dat eigenlijk té eerlijk was.
Want dit is natuurlijk hoe we het hebben ingericht. We houden van koeien in de wei, zolang ze in het plaatje passen. Zolang ze bijdragen aan dat idee van rust, natuur, lente. Maar net zo makkelijk reduceren we ze tot product in een systeem dat vooral draait om gemak en prijs per kilo.
Misschien was dat wat het zo wrang maakte. Niet eens dat bord op zich, maar hoe achteloos het daar stond. Alsof het de normaalste zaak van de wereld is dat leven en consumptie zo dicht op elkaar liggen. Alsof er geen verhaal tussen zit. Geen afstand. Alleen een paar honderd meter asfalt.
De bloesem knapte niet letterlijk uit de bomen, maar zo voelde het wel. Alsof dat zachte, bijna gefilterde lenteplaatje ineens werd doorgedrukt naar iets veel harders. In Nederland lopen zo’n 3,5 miljoen runderen rond; ‘stuks’, noemen we dat dan netjes. En in één jaar tijd verdwijnen er bijna twee miljoen daarvan richting slachterij. Twee miljoen. Het is zo’n getal dat pas iets betekent als je er net iets te lang bij stilstaat. Zoals bij een kudde langs de A2.
En tegelijk doen we iets anders. Zodra de zon zich laat zien, trekken we massaal naar buiten. Wandelen, fietsen, terrasjes. We genieten van precies datzelfde landschap: de vogels die laag over het land scheren, een verdwaald hertje in de ochtendmist, en ja – die koeien in de wei. We wijzen ze aan, maken er foto’s van. ‘Kijk, hoe Hollands.’
Misschien zit daar de echte botsing. Niet in dat bord van McDonald’s tussen de koeien, maar in onszelf. In hoe moeiteloos we schakelen tussen vertedering en consumptie, tussen natuurbeleving en kilogewichten. We willen allebei, zonder dat het schuurt.
Tot het ineens wel schuurt, ergens op de A2, tussen Utrecht en Valkenswaard, waar het landschap even iets te eerlijk wordt.
Thema's:
Meer over:
jan van poppelMeld je snel en gratis aan voor de BNNVARA nieuwsbrief!