Sfeerfoto van BNNVARA

BNNVARA

Wij zijn voor

Een eerlijk en gelijkwaardig Nederland. Wij zijn voor. Jij ook? Samen zetten we dingen in beweging. Sluit je aan bij BNNVARA.

Hoe kijkt Sonja Barend terug op de afgelopen tachtig jaar?

29 feb 2020
  •  
leestijd 12 minuten
schermafbeelding2020-02-20om12.00.29

Sonja Barend

© Jacqueline de Haas (voor de VARAgids)

In de week van Sonja Barends tachtigste verjaardag: veertien vragen die ze ooit stelde aan haar gasten, nu door haarzelf beantwoord.

Schrikkeldag, de zeldzaamste dag die bestaat, is Sonja Barends verjaardag. ‘Een dag die wel bij me past, omdat het curieus is,’ zo zegt ze er zelf over. Tachtig jaar wordt ze. Geen reden om uitgebreid bij stil te staan, die leeftijd is haar gewoon overkomen. Maar het leven dat ze in die tachtig jaar heeft geleid, is haar níet overkomen. Nou ja, op de eerste vijftien jaar na misschien. 

Heb je een idee hoe de mensen jou zien? 
(aan Karel Appel, Sonja Barend met…, 2004)
Mensen kennen me van de praatprogramma’s. Ze hebben mij zó vaak gezien en ik heb me in al die programma’s niet anders voorgedaan dan ik in werkelijkheid ben. Ik heb me nooit ingehouden. Mensen zien me wel als veel flinker en meer een durfal dan ik in werkelijkheid ben. Ik durf in werkelijkheid veel minder. Op straat of bij Albert Heijn word ik vrijwel altijd aangesproken. Dan zeggen ze: ‘Was je er nog maar, dan ging het tenminste nog eens lekker tekeer.’ Zo wil ik wel herinnerd worden: als zij op tv was, dan gebéurde er wat. Als je een praatprogramma maakt, ben je het zelf, en je speelt een beetje een rol. De oma die ik nu ook ben – niet zo’n hele lieve oma, maar ik doe mijn best – kennen ze helemaal niet en die leren ze ook niet kennen. Ik wil geen vaag aftreksel van mezelf worden op tv. Ik heb ook liever dat mijn kleinkinderen denken: oma is ook niet voor de poes. 
 
Wat doet u nou de hele dag? 
(aan Neelie Kroes, Sonja’s Goed Nieuws Show, 1978)
Oh god, dat is echt de allerergste vraag die je me kunt stellen. Ik doe wat ik vroeger ook altijd deed, alleen maak ik geen programma’s meer. Ik kan me nu ook niet meer voorstellen dat ik tijd had om al die programma’s te maken. Ik leid een leven zonder programma’s te maken, en daar heb ik bewust voor gekozen. In de tijd dat ik programma’s maakte, las ik zes kranten diagonaal, heel snel. Nu lees ik er twee, dat vind ik eigenlijk al veel te veel, maar we zijn eraan verslaafd. In de ochtend lees ik de Volkskrant en ’s avonds NRC. Daar gaan úúren in zitten, ik kan het niet laten. Ik wil van alles op de hoogte zijn. 
Ik denk het zelf ook: jezus, wat doe ik nou de hele dag? Maar ik ben de godganse dag bezig. Ik maak nu ook van allerlei dingen veel meer werk. Vroeger scheurde ik nog langs een winkel, op weg naar huis als er iemand kwam eten en dan stond het om half acht op tafel. Nu ben ik al zenuwachtig als er volgende week iemand komt eten, bij wijze van spreken. 
Ken je de problemen van de mensen in het land? (aan Felix Rottenberg, Sonja, 1992)
Ja, uit de krant. Toen ik B&W (tussen 1997 en 2002, red.) ging maken, merkte ik dat we weer precies dezelfde maatschappelijke onderwerpen behandelden als daarvoor in Sonja op… De aard van de problemen verandert wel, maar het draait ook nu weer om nieuwkomers in Nederland. Het zijn nu andere nieuwkomers. Vroeger konden mensen moeilijk rondkomen, dat is ook nog steeds zo. Ik zie nu die treurnis van die ouders over de kinderopvangtoeslag die ze terug moesten betalen: ik zie ze op een foto in de krant op de tribune zitten, huilend. Dat is zo’n groot drama. Deelonderwerpen lossen zich op, om vervolgens op een andere manier uit te dijen. Als een soort veenbrand. 
Ik realiseer me soms hoe uitzichtloos het allemaal is, daar heb ik het vaak over, nu ik niet meer werk. Maar dan hoor ik van mensen hoeveel ons programma heeft betekend voor bijvoorbeeld homoseksuelen. Dat dat nu breed geaccepteerd is en honderdduizenden mensen staan te juichen bij de gay parade. ‘Daar heb jij aan bijgedragen,’ hoor ik dan. En zo zijn er meer voorbeelden. 
 
Wat vind je zelf de verdienstelijkste kant van je talent? 
(aan Martine Bijl, Sonja, 1981)
Dat ik op de televisie was en ben zoals ik ben en niet iets of iemand anders. En dat mensen mij altijd snapten. Ik hou erg van direct en snel contact, daar ben ik ook goed in. Daardoor ontstond er gemakkelijk een gesprek. En dat niet ontbloot van enig gevoel voor humor en betrekkelijkheid, dat is het.
Je moet wel van huis uit meegekregen hebben om jezelf te blijven, dan is het niet moeilijk. Het is dus geen verdienste, ik weet ook niet of je het kunt leren. Wij nodigden vaak mensen uit die nog nooit op tv waren geweest om over zware onderwerpen te praten. Ik wist altijd binnen een minuut of anderhalf of het een goed gesprek werd. De kunst is om echt contact te maken en goed te luisteren. Een tv-studio is voor gasten natuurlijk de slechtste situatie om je kwetsbaar op te stellen. En als het dan tóch lukt – dat zijn heel mooie momenten.
 
Bekijk je jezelf wel ’s op video? 
(aan Mick Jagger, B&W, 2001)
Alleen onder zware marteling. Ik heb in 2017 een boek geschreven (Je ziet mij nooit meer terug, red.), dat over televisie zou gaan. De VARA was zo aardig om een technische verbinding met Beeld en Geluid tot stand te brengen, zodat ik vanuit huis in hun archief kon kijken. Maar binnen een paar weken had ik door dat ik het een marteling vond om naar mezelf te kijken. Ik dacht: zo’n boek ga ik niet maken. Dit is te erg. Want als ik mezelf op tv zie, denk ik bijvoorbeeld: ‘Ik ga hier veel te ver! Kalm aan!’ Dat is nog steeds zo, als ik nu weleens bij een praatprogramma zit, kijk ik dat absoluut nooit terug. Heel soms zie ik mezelf per toeval op tv, als iets herhaald wordt. Dan denk ik wel eens: ‘Jezus, wat deed ik dat goed. En wat zag ik er mooi uit! Had ik dat toen maar geweten!’ Ja, dan blijf ik nog wel eens even hangen.
Aan het gezicht dat ik in de spiegel zie, ben ik gewend. Dan zie ik iemand die oud is, dat vind ik niet erg. Oud worden en oud zijn is heel erg leuk, dat bevalt heel goed. 
Sonja Barend

Sonja Barend

© Hans Dukkers

Ben je jezelf of speel je iemand? (aan Adelheid Roosen, Martine Bijl, Karin Bloemen en Boudewijn Büch, Sonja, 1995)
Je ziet het op tv direct wanneer mensen een rol spelen en dan wordt het niks. Je kunt maar beter jezelf zijn. Een politicus zou er – als hij het antwoord niet paraat heeft – goed aan doen te zeggen: ‘U stelt mij nu een vraag, daar weet ik op dit moment gewoon het antwoord niet op. En ik kan het nu even niet achterhalen. Waarom zou een politicus alle antwoorden op alle vragen moeten weten? En waarom mogen ze nooit van standpunt veranderen? Ik vind het heel erg aantrekkelijk en menselijk als iemand zegt dat hij totaal van gedachten is veranderd. Dat doen ze niet, omdat ze bang zijn voor draaikont te worden versleten.
Ik heb eenmaal in mijn hele -carrière iemand in mijn programma gehad die van mening veranderde: Pim Fortuyn. Het ging over gasboringen in de Waddenzee. Fortuyn zat aan tafel met de directeur van Natuur & Milieu. Ik had natuurlijk bij voorbaat al een kant gekozen: tegen de boringen. Ik zei tegen Fortuyn: ‘U ziet toch wel de redelijkheid van dit verhaal in?’ Aan het eind van een redelijk felle discussie met die directeur en mij gaf Fortuyn ons gelijk! Dat was nog nooit eerder bij mij voorgekomen. Waarom blijven politici maar doorhakken op hun standpunt als de ander gelijk heeft? Je zou van je stoel opspringen als dat nu een keer gebeurt!  
 
Is de Nederlandse televisie slecht? (aan voormalig tv-recensent Sietze van der Hoek, Sonja op zaterdag, 1991)
Het hoort bij mijn vak om veel tv te kijken, maar ik zie weinig. Het Journaal van acht uur kijken we altijd terug als we in bed liggen. En we nemen ook behoorlijk wat op, zoals Terug naar de Akbarstraat van Felix Rottenberg. Ik heb nog niet alle presentatieduo’s van Op 1 gezien, maar kennelijk doen die mensen het behoorlijk goed. Er worden ook documentaires gemaakt waar grote discussies uit ontstaan: er is genoeg moois en je kunt elke avond interessante televisie kijken en de rotzooi laten.  
Ik kijk dus geen Boer zoekt vrouw bijvoorbeeld. Ik heb het weleens gezien omdat iemand in mijn omgeving me erop wees, maar ik vind het zo’n vreselijk geneuzel. Dat die vrouwen zich daar als stomme kippen laten uitkiezen door zo’n man! En dat ze met z’n drieën staan te koken en een naar huis wordt gestuurd! Sodemieter op zeg, godallemachtig. De mensen vinden het enig, maar ik kijk er met plaatsvervangende schaamte naar. Dan wordt een heel leuke vrouw weggestuurd en hoor ik die man uitleggen waarom. Wie wil nou zo’n man?! 
 
Word je op je oude dag mild? (aan Annie MG Schmidt, Sonja op zaterdag, 1991)
Annie zei toen precies hetzelfde als wat ik nu zeg: vooral níet doen. Vooral je overal mee blijven bemoeien en je ontzettend blijven opwinden. Ik vroeg haar hoe je oud wordt. ‘Doorroken en vreemdgaan’, was haar antwoord. Annie Schmidt was als beste in staat om elke vraag met humor te beantwoorden. Of ze het nou verzon of niet, zij was heel inspirerend. Zó ontzettend leuk. Ik hou sowieso van leuke, verstandige, opgewonden oude mensen. 
Oud staat tegenwoordig voor een probleem. Als het Journaal bericht over oudere mensen, laten ze altijd iemand zien achter een rollator en op sloffen. Altijd stijve bejaarden, die moeilijk lopen. Of ze zitten te bingoën. Alsof er iemand in mijn omgeving ooit Bingo speelt! Wij zijn er toch ook nog?! 
Sonja Barend

Sonja Barend

© Paul Huf

Hoe voed je je kinderen op als je zoveel uit huis bent? (aan Joop den Uyl, De Show van Sonja en Joop, 1978)
Toen ik een relatie met Abel begon, kreeg ik ook drie stiefkinderen. De oudste was twaalf, de jongste zes. Ik kwam bij dat gezin, in het huis waar zij werden opgevoed door hun vader – en ze hadden natuurlijk ook een moeder. Ik heb me altijd heel bescheiden opgesteld, ik bemoeide me er mondjesmaat mee. Dat was vooral mijn onzekerheid; achteraf bleek dat mijn kinderen liever hadden gehad dat ik me minder bescheiden had opgesteld. 
We hebben ook heel lang in twee huizen gewoond. Ik deed wat binnen mijn vermogen lag, ik zorgde dat het gezellig was en dat er lekker gegeten werd. In zekere zin waren ze al opgevoed, op die leeftijd is er al een hoop gebeurd. Ik stelde me bescheiden op, omdat ik dacht dat dat voor de kinderen het prettigst was, en misschien ook voor hun vader. Het is heel goed afgelopen, ik heb een geweldige verstandhouding met mijn stiefkinderen en ik ben er dolgelukkig mee. 
Stiefouderschap gaat niet van een leien dakje, weet ik nu. Het ouderschap is moeilijk, maar het stiefouderschap heeft er nog een bepaalde dimensie bij. Als ik bijvoorbeeld boos was geworden, had ik achteraf altijd een enorme spijt. Ook als die boosheid terecht was. Een echte vader of moeder aait in zo’n geval het kind door z’n haar en zegt ‘sorry’. Maar als stiefouder is dat anders, want kinderen zijn op een andere manier kwaad op een stiefouder. En een stiefouder is op een andere manier onhandig dan een echte ouder. 
 
Door wie wilt u het liefst gewaardeerd worden? (aan Armando, Sonja op zondag, 1990)
Tegenwoordig toch wel door mijn echtgenoot. Toen ik programma’s maakte, had hij daar ook altijd een mening over. Soms was ik het daar dan helemaal niet mee eens en dan vochten we daar een tijdje over. Of ik dacht: hij heeft er gewoon geen verstand van. Maar hij hield mij op het rechte pad. Het is niet altijd leuk om precies te horen wat iemand vindt van je gedrag, maar ik had er veel aan. En zo doen we het nog steeds. 
 
Staat er iets tegenover, wat uw werk betreft, waarvan u denkt: zo, dat is de moeite waard geweest? (aan Hans van Mierlo, B&W, 1998)
Ja, het was heel erg de moeite waard. Dat merk ik ook, zoveel jaar later, aan het feit dat veel mensen mij nog steeds aanspreken op het programma. De programma’s en fragmenten zijn ook zo vaak herhaald. Dat was niet omdat het mislukt is, maar omdat het gélukt is. En omdat de thema’s die we behandelden nog steeds spelen. Dat maakt dat ik, hoe kritisch ook, toch heel tevreden ben. 
Ik heb dat gelukte verleden, een verleden dat ik aanvankelijk nooit dacht te krijgen. Als vijftienjarige dacht ik: dit wordt een leven van niks. En raad eens wat ik achter de rug heb! Mijn geluk is dat ik na die eerste vijftien jaar het leven heb kunnen leiden dat ik heb geleid. Ik heb natuurlijk ook geboft en heb ook alles uit de kast gehaald om zover te komen. Je school inhalen vond ik echt vreselijk. Ik was zeventien jaar, werkte overdag en ging in de avond naar school en uiteindelijk ook op mijn vrije zaterdagen. Het is achteraf ontzettend fijn dat ik het gedaan heb, maar leuk was het niet. 
 
Is het nou zo dat, naarmate je ouder wordt, je afscheid gaat nemen? Afstand is een beter woord. Dat je afstand gaat nemen, van de dingen? (aan Marten Toonder, B&W 2002)
Marten Toonder deed afstand van dingen en dat kon ik heel moeilijk begrijpen. Hij was heel erg beroemd, was kasteelheer en gewend aan een bepaald soort leven. En nu zat hij in een bejaardenhuis op een kamertje! Daarom vroeg ik hem dat, ik wilde begrijpen hoe hij zo kon leven. Achteraf bleek ook dat hij dat eigenlijk niet kon, hij was heel ongelukkig. Zo moet je leven niet eindigen.
Ik heb helemaal niet het gevoel dat ik afstand van iets moet nemen. Je krijgt wel het gevoel van betrekkelijkheid: ieder jaar dat ik nu nog leef is er één. En dat doe ik binnen mijn vermogen voor de volle honderd procent. Ik neem nergens afscheid van. Ja, van spullen. Ik ben gaan opruimen, omdat ik mijn kinderen niet wil laten zitten met een kelder vol rotzooi. Mijn hele archief is naar Beeld en Geluid; twintig verhuisdozen met plakboeken en foto’s. Ik vond het zó heerlijk om daarvan af te zijn!
Als wij iemand feliciteren, dan zeggen we altijd: hartelijk gefeliciteerd, tot honderdtwintig jaar. Als ik dat nou tegen u zou zeggen, wat zou u dan zeggen? Dat is een wens die je dan doet hè, tot 120 jaar. (aan Marten Toonder, B&W 2002)
Jonge mensen vinden het altijd idioot als ik het zeg, maar mijn leven werd pas leuk na mijn veertigste. Vanaf mijn veertigste tot nu slaat alles, dat meen ik oprecht. Qua werk, liefde, omstandigheden. Mijn enige zorg is dat een van ons droevig achterblijft. We zijn met z’n tweeën en dus is de kans groot dat er één overblijft. Wat dan? Zit ik dan ’s avonds in Frankrijk op het terras naar de ondergaande zon te kijken, in mijn eentje? En denk ik dan: wat waren we gelukkig toen we een halfjaar geleden samen naar de zonsondergang keken? Kan ik alleen genieten? Wij zijn helemaal met elkaar vergroeid! Ik denk er maar niet te veel aan. En al helemaal niet aan de vraag: wat wil ik het liefst, dat ik zelf eerder de pijp uitgaat of mijn geliefde? In het leven is er een aantal onmogelijke vragen en dit is er een van. 
Als ik boodschappen doe en ik raak onderweg verzeild in iets anders en ben veel langer van huis, dan belt Abel me. ‘Oh, ik was zo bang dat je ergens op straat onder een auto lag!’ zegt hij dan. Dat heb ik ook met hem. Soms valt de schemering hier in huis in en dan zit ik al een hele tijd op een andere verdieping dan Abel. En dan denk ik: hoe lang zit ik hier eigenlijk al? Mijn god, straks ligt Abel al uren dood! Dan ren ik door het hele huis, en heb ik echt schrik. Dat gebeurt niet zo vaak hoor. Maar het gebeurt wel.
 
Als je nou over 40 jaar naar de hemel gaat, wie zou je dan meenemen? (aan Annie MG Schmidt, Sonja op zaterdag, 1991)
Ik heb een afschrikwekkend beeld van de hemel. Hij bestaat natuurlijk niet, daarvan ben ik overtuigd, maar dat mensen daar naar kunnen verlangen omdat ze dan denken dat ze hun geliefde terugzien, dat is ontzettend fijn voor die mensen. Dat is de grote truc van de godsdiensten: dat ze je wijsmaken dat het leven hierna mooier is dan het leven hier. En daar geloven zelfs mensen in die ik qua intellect hoog heb zitten. Ik moet ook niet denken aan zo’n ondraaglijke setting. Zelfs als je zou zeggen: de situatie nu, het geluk dat er nu is, kun je precies zo houden en verandert niet. Tot je 120ste. Nou, ik moet erover nadenken of ik dat wel wil.

Meer over: