Tijdens de reformatie werd de abdij van Egmond op last van Willem van Oranje verwoest, zodat de Spanjaarden haar niet konden gebruiken als een versterkte plaats. Haar stenen raakten door de omgeving verspreid. Ze werden tot in de stadsmuur van Alkmaar teruggevonden. Bijna honderd jaar later schilderde Van Ruisdael wat er nog restte van de oudste abdij van Holland en rond 1800 werd de ruïne definitief met de grond gelijk gemaakt.
In 1933 werd er een nieuw klooster gebouwd op de plaats waar het oude had gestaan. Een handvol Benedictijnen uit Oosterhout nam haar in gebruik. Het is van veraf te zien, het is het hoogste bouwwerk van Egmond-Binnen, gelegen op een strandwal, een verhoging in het landschap die door de eens voortdurend binnendringende zee is gevormd. Dit kustgebied dat soms water was en soms land.
Vanaf de tiende eeuw hebben de Benedictijnen zich in deze venige woestenij met de kustbescherming bemoeid en het land bedijkt. Ik bewonder het uithoudingsvermogen van deze mannen, die in hun zwarte habijt door de eeuwen trekken en de indrukwekkende gave bezitten om zich zowel te vernieuwen als dezelfde te blijven.
Op een avond verlaat ik mijn kamer in het gastenverblijf voor een wandeling door de weilanden. Achter mij klinkt het luidklokje voor de completen. Daar binnen zingen ze over de rotsen van Tarsus en de dochter van Tyrus en hier stijgt een veldleeuwerik naar de hemel op, hoger en hoger tot je hem niet meer ziet en alleen nog zijn complexe gekwetter hoort.
Eens bracht ik een maand door in een stacaravan aan de rand van een klif in East Anglia. De zee spoelde beneden aan op het strand, bij storm vrat ze de klifwand aan. Het was een grijze maand tot op een dag de lucht werd schoongeblazen. De ondoordringbare zeemist bleef echter nog dagen lang boven de velden hangen en werd van bovenaf door de zon verlicht, zodat ik de indruk had in een door gouden wolken omsloten hemelrijk rond te dwalen.
Tijdens één van mijn wandelingen door de geheimzinnge nevel vloog er een veldleeuwerik op tussen de voren van een akker en zong in de zon boven de mist. Jaren later, toen ik een oud aantekenboekje opende en de woorden las die ik daar toen over geschreven had, steeg die veldleeuwerik jubelend op vanaf de pagina rechtstandig de lucht in de zon tegemoet. Het kwam op mij over als een wonder, dat er geen afstand was tussen de gebeurtenis en de beschrijving dan die gebeurtenis, die ik zoveel later teruglas. De woorden hadden alles bewaard als ik een sprookje, waarin alleen een kus de duizendjarige bewegingloosheid verbreekt: de leeuwerik, de zee die zuchtend aanspoelde en die halo van mis en zon, waar ik welke kant ik ook op ging, het voortdurende midden van was.