Ik verzamel al jaren papieren dieren. Het leukste aan papieren dieren vind ik dat wat in de werkelijkheid niet mag of niet mogelijk is, op papier wel kan: mens en dier vrijen er in de letteren lustig op los. Vrouwen laten zich door aapjes bevredigen en door zwanen bevruchten, terwijl mannen schapen aaien en ezels beminnen.
Fictieve paringen tussen mens en dier hebben met enige regelmatig voor nationale opschudding gezorgd. Berucht is het zogenaamde Ezeltjesproces tegen Gerard Reve. In Nader tot U bescheef Reve hoe hij gemeenschap heeft met een als ezel geïncarneerde God, iets dat de katholieke kerk hem niet in dank afnam. Tegenwoordig is de literaire paring tussen man en ezel bijna automatisch te lezen als een literair eerbetoon aan de meester: Hafid Bouazza liet bijvoorbeeld in een verhaal in De voeten van Abdullah drie Marokkaanse pubers hun seksueel obsessieve verlangens onder een olijfboom uitvieren op hun enige nabije mogelijke seksuele partner: jawel een … ezel –alsof Bouazza wilde zeggen dat Reves werk een universele strekking heeft.
Het aller-zieligste en aller-grappigste verhaal dat ik ken in de categorie intieme relaties tussen mens en dier, is van de schrijver L.H. Wiener. Het heet ‘Mee-eters zijn welkom’ en staat in Niet aaien. Het gaat over een eenzame man. Alles en iedereen waarmee hij vriendschappelijke betrekkingen aanknoopt, wendt zich na verloop van tijd van hem af. Zelfs huisdieren houden het niet bij hem uit: ze worden vals of lopen weg. Dan, op een dag ziet hij dat een teek zich heeft vastgebeten aan zijn pols. Zijn eerste opwelling is hem dood te maken, de reactie van iedere normale Nederlandse staatsburger. Maar in plaats daarvan gaat hij hem bestuderen met een loep. Moedwillig laat de man zich vervolgens elke dag volzuigen door die enige vriend die elke dag belangstelling voor hem toont: een teek. ‘Wij hebben het goed. Nooit ruzie’, zegt de man tevreden. Dat klinkt mij als waar masochisme in de oren, want meestal ondergaat de mens deze intieme vleselijke aandacht van de natuur niet vrijwillig. Denk maar aan het boze gevecht tegen de muggen van de jonge en tomeloos ambitieuze geoloog Alfred Issendorf uit Willem Frederik Hermans’ Nooit meer slapen
Een en ander biedt uiteraard mogelijkheden tot het schrijven van een indringende studie met als leidende onderzoeksvraag en als titel: Waarom mannen van teken houden. Mij deed het verhaal van Wiener in eerste instantie denken aan Desmond Morris, die heeft gezegd dat mensen hun toevlucht zoeken tot dieren zoeken als ze teleurgesteld zijn in medemensen: want dieren stellen geen vragen en praten niet terug. Dat zou bijvoorbeeld verklaren waarom single vrouwen zo vaak een kat in huis nemen en een man een teek. Maar in tweede instantie zie ik iets anders: Wieners liefdesrelatie tussen man en teek is het eerste voorbeeld van breezerseks tussen mens en dier. Die man geeft zijn teek elke dag een consumptie bloed, in ruil voor diens bevredigende lichamelijke aandacht en aanwezigheid. Met de man voel je geen spoortje medelijden, maar met de arme teek – het eerste literaire slachtoffer van consumptieseks - wel.
Af en toe denk ik aan de teek van Wiener, en dan hoop ik dat die inmiddels de benen heeft genomen.