
Hendrik van Veldeke, eind 12e eeuw, Maasland, Codex Manesse
De eerste Nederlandstalig versregel luidt: Hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic anda thu… De vrije vertaling van Menno Bentveld hiervan is: "Of er zo langzamerhand niet eens een move gemaakt moet worden! Een prachtig stukje poëzie met tortelduifjes als metafoor."
Lees hieronder de gehele column:
Jaren stond ik langs het hockeyveld kinderen aan te moedigen. Omdat ik behalve één veldspeler ook twee keepers heb voortgebracht was niet iedere minuut van iedere wedstrijd even spannend. De bal komt immers ook weleens niet in de buurt van de goal. Gelukkig had ik een kompaan langs de lijn in de persoon van emeritushoogleraar Frits van Oostrom, mede-hockeyvader en expert op het gebied van Middelnederlandse letterkunde.
Op dooie momenten vertelde hij me in geuren en kleuren over zijn laatste onderzoeksprojecten. Op een of andere manier bleken middeleeuwse literatoren een fascinatie te hebben voor dierenverhalen. En dus praatte Frits me de ene keer bij over zijn all-time favourite Reynaert (de Vos, behoeft geen introductie, toch?), en de andere keer over wonderlijke basilisken, griffioenen en draken in de verhalen van Jacob van Maerlant, af en toe onderbroken door een strafcorner van zijn zoon.
Een prachtig stukje poëzie met tortelduifjes als metafoor.
Het spannendst vind ik toch de ontdekking van de eerste Nederlandstalige versregel. Rond 1100 door een West-Vlaamse monnik gekrabbeld in de zijlijn van een manuscript dat hij kopieerde in een klooster in Kent, Groot-Brittannië. Hoogstwaarschijnlijk bij het uitproberen van een versgesneden ganzenveer. Velen kunnen ’m wel een beetje mee mompelen: Hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic anda thu… Dat alle vogels nu wel zo’n beetje aan een nestje zijn begonnen en of het niet tijd wordt dat hij en zijn geliefde ook eens wat gaan ondernemen. In hedendaags Nederlands: of er zo langzamerhand niet eens een move gemaakt moet worden! Een prachtig stukje poëzie met tortelduifjes als metafoor.
En óf er momenteel moves worden gemaakt! Terwijl ik dit typ – geen ganzenveer voorradig helaas – zie ik ze buiten met takken rondscharrelen dat het een lieve lust is: reigers, meerkoeten en bovenal kauwtjes! Kauwtjes zijn mijn favoriet als het gaat om nestbouw. Of beter: als het gaat om het bij elkaar flikkeren van een hoop takken. Het bontst maken de vogels het als ze een steenuilenkast als broedlocatie uitkiezen.
En tussendoor veel knuffelen, elkaar het hof maken en paren.
Stel: de steenuil heeft reeds kwartier gemaakt in de kast, maar nog geen eieren gelegd en is even een blokje om. Enter: kauwtjes. Zonder gêne en al helemaal zonder angst – de steenuil is klein, maar heeft venijnige klauwen – kraken ze de nestkast en beginnen met het naar binnen slepen van een ontstellende hoeveelheid bouwmateriaal. Eigenlijk is het nest daarmee grotendeels klaar want erg veel aan afwerking doen ze doorgaans niet. Een warme nestkom voor de eitjes, dat is het zo ongeveer. En tussendoor veel knuffelen, elkaar het hof maken en paren. En niet voor één nachtje of één seizoen, maar forever.
Voor monogame kauwtjes, die bijna alles samendoen en onafscheidelijk zijn, geldt letterlijk ‘tot de dood ons scheidt’. Zou onze elfde eeuwse monnik daarvan gedroomd hebben? Ten tijde van zijn gekrabbel was het celibaat immers nog niet ingevoerd. Toch nog eens aan Frits vragen.
Meer over:
mennobentveldMaandag, woensdag en vrijdag versturen wij je alle informatie uit de radio en tv-uitzending en het laatste internetnieuws.