
Kleine zwaan
© kasteelheertje
Kleine zwanen trekken steeds minder ver naar het zuidwesten in de winter. Gemiddeld overwinteren ze 118 km dichter bij hun broedgebied per 1°C winteropwarming. In zijn promotieonderzoek laat Hans Linssen van de UvA en het Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO-KNAW) zien dat deze aanpassing een combinatie is van twee processen. De vogels reageren op de temperatuur en schuiven minder ver op als het in de herfst warm blijft. En jonge vogels hebben minder de neiging dan hun ouders om terug te keren naar waar ze een eerdere winter zijn geweest en kunnen verder in het noordoosten blijven hangen.
Veel kleine zwanen zijn uitgerust met kleurringen, die worden afgelezen door vrijwilligers. Uit deze ringterugmeldingen kan gemakkelijk het beeld ontstaan dat kleine zwanen heel plaatstrouw zijn. Kleine zwaan 280E is bijvoorbeeld deze winter voor de 10e winter op rij uit de Vughtse Gement gemeld. Dit roept de vraag op hoe de populatie dan kan opschuiven. Volgens de geldende theorie komt dit doordat jonge vogels nieuwe plekken bezoeken, waar ze vervolgens naar blijven terugkeren. Maar hoe werkt dit bij vogels die in familieverband trekken, zoals ganzen en zwanen?
Wetenschappers volgden zo’n 120 kleine zwanen met GPS-zenders, goed voor miljoenen locatiepunten verspreid over meerdere jaren. Die data stelden hen in staat om te kijken naar de mechanismes die schuilgaan achter de populatieverschuiving. Ze zagen dat zwanen hun gedrag continu bijstellen op basis van temperatuur. In zachte winters blijven ze vaak honderden kilometers verder noordoostelijk, terwijl koude periodes hen alsnog richting Nederland, Frankrijk of het Verenigd Koninkrijk drijven. Individuele zwanen blijven hun trekroute en wintergebieden gedurende hun hele leven aanpassen aan de omstandigheden. Omdat de vogels nogal oud kunnen worden, gaan ze dus over de jaren steeds noordoostelijker overwinteren.
De onderzoekers volgden ook complete zwanengezinnen. Jonge zwanen trekken bijna een jaar lang samen met hun ouders op. Dat blijkt cruciaal: jongen die hun ouders voortijdig kwijtraken, overleven aanzienlijk minder vaak. Vogelouders helpen jongen met navigatie (waarheen vliegen), timing (wanneer vertrekken), energie besparen (vliegen in formatie) en het vinden van voedsel. Slechts 38 procent van de jonge vogels die te vroeg ouderloos werden overleefde het eerste jaar, tegenover 83 procent van de jongen die langer bij hun ouders bleven. Ouderloze jonge zwanen waren slecht in staat om zich aan te sluiten bij andere families, wat wijst op sterke sociale leerprocessen binnen families.
Gedurende hun leven keren kleine zwanen geregeld terug naar het gebied waar ze eerder hebben overwinterd. Tegelijkertijd blijken jongere generaties veel meer te variëren in hun wintergebieden dan oudere zwanen, die sterker vasthouden aan hun vaste routines. Zo combineren jonge vogels wat ze in hun eerste winter van hun ouders hebben geleerd met het verkennen van nieuwe gebieden. Daarmee zijn het juist de jongere generaties kleine zwanen die de verschuivingen van het overwinteringsgebied naar het noordoosten aanjagen: Nederland, ooit een kerngebied voor overwinterende kleine zwanen, wordt door de mildere winters minder vaak bezocht, terwijl de vogels nu vaker in Duitsland en Denemarken blijven.
Ondanks de flexibiliteit van vogels daalt de populatie kleine zwanen al jaren. Dat lijkt niet te komen door veranderingen in de winter, waar de zwanen immers flexibel op inspelen, maar door een laag broedsucces. Jaarlijks waagt slechts 30% van de volwassen vogels zich maar aan een broedpoging, wat een belangrijke verklaring kan zijn voor dalende aantallen. Vooralsnog zijn er geen aanwijzingen dat de vogels te lijden hebben onder het warmer worden van de broedgebieden, dus waardoor er zo weinig vogels tot broeden komen is nog onbekend.
De kleine zwaan is de kleinste van drie soorten zwanen die in Nederland en België voorkomen. Kleine zwanen broeden tegenwoordig aan de noordwestkust van Rusland, en winteren in Noordwest-Europa. Vroeger was dat gemiddeld in Engeland en Nederland, nu is dat Noordwest-Duitsland. Voor trekvogels, zoals de kleine zwaan, is timing cruciaal: Als ze te laat aankomen op de broedplek, missen ze de piek in voedsel en daalt hun broedsucces.
Bron: Universiteit van Amsterdam
Maandag, woensdag en vrijdag versturen wij je alle informatie uit de radio en tv-uitzending en het laatste internetnieuws.