September is de voortplantingstijd van de edelherten. Dan daveren de bossen op de Veluwe van het burlen, het oergeluid, waarmee de plaatsherten, mannetjes in de kracht van hun leven, iedereen duidelijk maken dat zij op die plek de baas zijn en dat de roedel hindes exclusief hun harem is. Jaarlijks trekken duizenden bezoekers naar het ‘Nationaal Park de Hoge Veluwe’ om te genieten van dit natuurgeweld. In de schemer hoor je in de verte al het burlen, een geluid als een echo uit een ver verleden.
Eerst verschijnen de hindes op het toneel, spelend met de oortjes, zekerend of alles veilig is. Dan treedt de grote geweidrager, het plaatshert, uit de dekking. Hij gooit zijn kop in de nek en dan hoor je hem niet alleen, je ziet hem ook burlen. Soms krijgt hij antwoord en een jonger hert betreedt nu het terrein. Ze buigen de nekken en even ziet het er naar uit, dat ze echt met hun geweien op elkaar in zullen rammen. Maar dan kiest het jonge dier de wijste partij en maakt zich uit de voeten. En als het een enkele keer toch tot een botsing komt, vloeit er haast nooit bloed, want de geweien zijn geen wapens maar imponeerorganen.
Heeft de concurrentie eenmaal het veld geruimd, dan is het tijd om het kaalwild, de hindes te controleren op hun voortplantingsconditie. Aandachtig neemt hij de verwaaiing op, waarbij je hem vaak met opgetrokken bovenlip ziet flemen, een opvallend gedrag, dat we ook van paarden kennen. Is een hinde zo ver, dan gaat ze er eerst nog op een drafje vandoor, voor ze bereid is te gaan staan en zich te laten beslaan.
Als gids op de Hoge Veluwe begeleid ik jaarlijks vele groepen bezoekers op deze bronstwandelingen. Maar het is beperkt tot slechts enkele weken per jaar en bezoekers die te laat komen, hebben pech. Dat overkwam de Leidse reünistes, die laat in oktober nog een wildwandeling wilden maken. Nu, ze waren niet alleen te laat in het jaar, maar ook nog op het verkeerde moment, namelijk midden op de dag en dan zoeken de herten de rustgebieden op. Ik heb ze wel naar de schuilhut gebracht en daar verteld wat ze hadden gemist, maar dat was natuurlijk een schrale troost.
Uit medelijden met deze aardige jongedames heb ik toen iets gedaan wat, om de natuur niet te verstoren, in de bronsttijd zelf ongepast zou zijn. Ik sloop weg en op een afstand in het bos deed ik zo goed mogelijk een burlend hert na.
Lachend, omdat ik geen moment geloofde dat ze daar in zouden trappen, liep ik terug naar de schuilhut. Maar daar kwam één uit de groep me al tegemoet: stil, stil! Als reactie op mijn imitatie was namelijk een roedel van wel vijftien hindes uit het bos komen stormen, die nu allemaal op een meter of tien afstand, spiedend, voor de hut stonden: waar is-tie, waar is-tie, waar is die superbok!
U begrijpt, deze gids kon bij dat roedeltje mensenvrouwtjes geen kwaad meer doen!