
Libellen zijn vaak lastig om goed te bekijken wanneer ze razendsnel voorbijvliegen. Deze fotografen wisten de slimme en snelle rovers toch prachtig vast te leggen! We zetten een aantal soorten libellen met verschillende felle kleuren en bijzondere patronen op een rijtje.
Libellen leven het grootste deel van hun leven als larve onder water. Per soort verschilt het hoe lang dit duurt: bij sommige soorten kan dit oplopen tot wel vijf jaar! Als ze eenmaal uit het water komen, begint het proces van 'uitsluipen'. Hierbij kruipen ze uit hun oude larvehuid en nemen ze de vorm van het imago (het volwassen insect) aan. Een pas uitsluipende libel is nog zacht, bleek of vaag van kleur. Na een paar dagen tot weken kleurt het insect volledig uit tot zijn definitieve, felle volwassen kleuren. In deze fotoserie zie je de libellen op hun kleurrijkst.
De uitgekleurde mannetjes zijn felrood, terwijl de vrouwtjes bruingeel zijn en worden later fletsbruin. De vliegtijd van de vuurlibel in Nederland is van begin mei tot begin oktober, met een piek van half juni tot begin augustus. De soort komt ook in de Sahara voor. Hier zijn er het hele jaar door vliegende exemplaren te vinden!

Vuurlibel
© ton_willems
Uitgekleurde mannetjes hebben een bloedrood achterlijf, vrij egale roodbruine ogen en een roodbruin borststuk. Het achterlijf en voorhoofd van de vrouwtjes zijn geel en worden later bruin. De vliegtijd is van eind mei tot eind oktober, met een piek van half juli tot begin september.

Bloedrode heidelibel
© lucien_reijns (l) en hilde1965 (r)
Het achterlijf van mannetjes heeft een subtiele, maar meestal duidelijke knotsvormige verbreding aan het uiteinde. Uitgekleurde mannetjes krijgen een rood achterlijf dat lichter is dan de bloedrode heidelibel. Ook bij deze soort lijken de vrouwtjes op jonge mannetjes. Het achterlijf heeft een gele kleur die later bruin wordt. Ze hebben een vliegtijd van begin juni tot half november, met een piek van eind juli tot half september.

Steenrode heidelibel
© kanjer (l) en belindah (r)
Een heidelibel met onmiskenbare vleugeltekeningen: in de tophelft van iedere vleugel loopt een donkerbruine dwarsband. In Noordwest-Europa komen geen andere libellen voor met een vergelijkbare vleugeltekening. Uitgekleurde mannetjes krijgen een dieprood achterlijf. Het achterlijf van vrouwtjes is geel en wordt later bruin. De soort vliegt van half juni tot half oktober, met een vliegpiek van eind juli tot begin september.

Bandheidelibel
© ansbissels (l) en rob_belterman (r)
De mannetjes hebben na het uitsluipen een oranje achterlijf, met een zwarte rugstreep die naar achter toe breder wordt. Uitgekleurde mannetjes zien er echter heel anders uit: alle oranje delen van de kop, het borststuk en het achterlijf worden zwart en het achterlijf krijgt een lichtblauwe kleur (zie foto). Vrouwtjes en jonge mannetjes lijken op elkaar. Ze zijn grotendeels oranje met een wigvormige zwarte streep op de rug van het achterlijf. Oude vrouwtjes krijgen een donkerbruine kleur. De soort vliegt van eind april tot en met begin september, met een piek in mei en juni.

Bruine korenbout
© witandre (l) en gj4roest (r)
Het achterlijf van de blauwe glazenmaker is donker met een mozaïektekening van licht gekleurde vlekken. Toch heeft de soort veel minder blauw dan de naam doet vermoeden. De ogen van de mannetjes zijn blauw aan de bovenkant. De vliegtijd van de blauwe glazenmaker is van juni tot en met oktober, met een piek in augustus.

Blauwe glazenmaker
© peter_liebe_-_focusv__ (l) en boogschutters (r)
Dit is de grootste vertegenwoordiger van de glazenmakerfamilie. Het borststuk is zowel bij man als vrouw vrijwel eenkleurig groen. Mannetjes hebben een hemelsblauw achterlijf met een zwarte lengtestreep. Vrouwtjes hebben een groen, soms flets blauw, achterlijf met een brede donkerbruine lengtestreep. De soort vliegt van half mei tot en met eind oktober, met een piek van half juni tot eind augustus.

Grote keizerlibel
© e.lablans (l) en pieter-keuter (r)
Uitgekleurde mannetjes hebben een blauw achterlijf met een duidelijke zwarte punt. Verder is het borststuk bruin bij de mannetjes. Het lichaam van vrouwtjes, zowel het achterlijf, het borststuk als het gezicht is geel. Op de bovenkant van het achterlijf lopen twee dikke zwarte lengtestrepen. De soort vliegt van begin mei tot eind september, met de hoogste aantallen in juni en juli.

Gewone oeverlibel
© aadklei (l) en otze.folkertsma (r)
Dit is de kleinste glazenmakersoort. Het achterlijf is donker met een mozaïektekening van licht gekleurde vlekken. Mannetjes hebben bruinblauwe ogen en op de bovenzijde van de achterlijfsegmenten twee vrijwel ronde blauwe vlekjes aan de achterrand. De vrouwtjes hebben bruine ogen met geel of groen. De achterlijfstekening heeft zowel gele als bruine vlekken. Het is een laat vliegende soort: van begin juli tot in november, met de grootste aantallen in augustus en september.

Paardenbijter
© AKoesal (l) en daanritter (r)
Bron: De Vlinderstichting