‘Ein Adler!’ Een oploopje op een namiddag langs een fietspad in de duinen. Ik stap af bij het gezin dat er opgewonden staat te gebaren. De moeder wijst me op de grote roofvogel die een meter of tien verderop in een populierenbos op de grond zit en ons rustig aankijkt.
‘Das ist kein Adler, sondern ein Habicht,’ zeg ik. Over dat sondern ben ik wel tevreden (heeft mijn schooltijd toch zin gehad), maar intussen zitten we wel met een probleem. Een havik hoort voor mensen weg te vliegen en niet op bosbodems te wachten.
De Duitsers nemen hartelijk afscheid en ik blijf achter, met de havik. Ik loop voorzichtig naar het dier toe. Een vrouwtje, zonder twijfel, en dit jaar uit het ei gekropen. Ze zit goed in de veren en lijkt weinig te mankeren. Maar ze vliegt niet op. Wel kijkt ze me met haar strenge gele ogen strak aan, terwijl ze haar pupillen afwisselend groot en klein maakt. Ik spreek haar kalmerend toe, met lage stem (bij honden en kinderen werkt dit immers ook), en ga op mijn hurken tegenover haar zitten. Ze ziet er gezond uit, maar toch, de rechtervleugel, is die wel in orde? Nu ik beter kijk, ben ik er zeker van dat hij uit het lood hangt.
Dát is dus de reden.
Wat je van het natuurbeleid in Nederland ook mag zeggen, sommige dingen zijn prachtig geregeld. Ik vond eens een gewonde vleermuis op de stoep, een jong dier, ten prooi gevallen aan een kat. Wat doe je in zo’n geval? Je belt de dierenambulance – en die komt onverwijld. Als die instelling al voor jonge vleermuizen uitrukt, dan moet een havik al helemaal voor een reddingsoperatie in aanmerking komen.
En dat blijkt ook zo te zijn. Na wat heen en weer getelefoneer krijg ik te horen dat er een ziekenwagen op weg is. Het kan wel een uurtje duren – maar wat geeft het? Een uur in de duinen is geen straf, en hoe vaak krijg je de kans met een havik te verkeren?
De vogel begint al snel aan me te wennen. Ze maakt geen beweging als ik naast haar ga zitten en sluit zelfs de ogen terwijl ik mijn rustgevende nietszeggendheden blijf prevelen. Af en toe sta ik op om voorbijgangers uitleg te geven. ‘Ze is nog jong,’ leg ik uit. ‘Je kunt het zien aan de vleugels, die nog bruin zijn, en aan de strepen op de borst ’ Mijn minicolleges vallen in de smaak en ik begin schik te krijgen in het geval; wat mij betreft mag de dierenambulance nog wel een poos wegblijven. Maar ten slotte komt hij toch. De bestuurder manoeuvreert de wagen voorzichtig over het fietspad – erkende hulpverleners mogen dat – en stopt precies voor de havik, en voor mij. Hij stapt uit met een kolossaal vangnet. ‘Is dat wel de manier?’ vraag ik wat ongerust, want je raakt aan zo’n vogel gehecht. Het is de enige manier, zegt hij, en treedt vastberaden op de havik toe. Die werpt een flitsende blik op de dierenredder en het grote net, spreidt haar vleugels en vliegt ervandoor, zigzaggend tussen de bomen.
‘Kan gebeuren,’ zegt de man. Hij bergt zijn vangnet op, laat me een formulier invullen en rijdt weg. Beteuterd blijf ik achter, terwijl de zon ondergaat.
Maar wat heeft die havik bezield?
‘Het was een teken,’ zegt een vriendin, als ik erover vertel, ‘of een boodschapper uit een andere wereld.’ Ik ben niet zo van tekens en andere werelden laten me doorgaans met rust, maar dit vind ik een mooie verklaring. Wat het teken of de boodschap behelsde, daar zal ik wel nooit achterkomen – en dat is niet erg, integendeel. Soms is het plezierig de natuur niet te begrijpen.