De oorsprong van Springendal ligt in de voorlaatste ijstijd. Enorme ijskappen schoven over de helft van ons land. Het ijs stuwde de bodem voor zich omhoog en dat zien we nog steeds in ons landschap terug als stuwwallen. Hierbij zijn alle lagen die mooi over elkaar lagen, gaan plooien. Zo ook de lagen met klei en met keileem, dat voor water ondoordringbaar is.
Het dal dat we nu zien, is ontstaan door het smelten van het landijs. Al het water stroomde hier de stuwwal af en sneed het Springendal uit. Springendal is dus een erosiedal. Hierdoor kwamen op verschillende plekken plooien van klei en keileem dicht aan het oppervlak. Regenwater dat nu op de stuwwal valt en naar beneden loopt, stuit op sommige plekken tegen zo’n ondoordringbare plooi en komt aan het oppervlak. Hier ontstaat heel lokaal een bron. Dat kan dus zelfs al hoog op de stuwwal gebeuren, mits hier zo’n plooi ligt.

Met theedoeken worden de verschillende 'plooien' van de bodemlagen nagebootst
© Vroege Vogels
De bronnen liggen verspreid door het Springendal, zowel in bossen als in hooilandjes of in heidegebiedjes. Dankzij het altijd opkomende bronwater vind je hier allerlei veenmossen, zoals het kussentjesveenmos, het week veenmos en het zacht veenmos allemaal bij elkaar. Verder zitten er, naast de veenmossen, ook allerlei andere soorten van de natte heide. Het water vervolgt zijn weg de stuwwal af en verzamelt zich uiteindelijk in beekjes, een noordtak en een zuidtak. Die komen samen en vormen uiteindelijk de Springendalse beek.