Advocaat van de natuur en spreekbuis van het milieu.

Boze Wolf

  •  
07-04-2005
  •  
leestijd 10 minuten
  •  
246 keer bekeken
  •  
vv_newsimg_102513.jpg

© midas

Sinds april 1980 schrijft Midas Dekkers een column (voor het radioprogramma Vroege vogels) die vervolgens in druk verschijnt (in VARA TV Magazine). Hij is er zo ongeveer Nederlands bekendste bioloog mee geworden. En een man met een missie gebleven.
Tekst Stijn Aerden, illustratie Paul van der Steen, Foto's Ernst Nieuwenhuis
Zijn eerste column voor Vroege vogels schreef hij in 1980, in de week voor Pasen. En op eerste paasdag werd 'ie uitgezonden, dat was 6 april. De redactie had wel eens artikelen van hem gelezen in De Nieuwe Linie — een katholiek weekblad dat inmiddels ter ziele is. Stukken over natuur en milieu die hout sneden, dat in de eerste plaats, maar die ook iets eigens hadden.
Iets lichts, iets vrolijk-eigenwijs. En de auteur, die zich aan de poort van de VARA-studio aan de Heuvellaan meldde, had datzelfde in zijn blik: iets onderzoekends, licht verlegens, maar duidelijk ook iets van spot.
Hij moest er meteen twee inspreken, dat wist hij toch? De kersverse bioloog — hij was 33, maar had 12 jaar over zijn studie gedaan — keek naar de punten van zijn schoenen. De eerste column had hij af. Aan de tweede was hij in de trein uit de Betuwe begonnen, maar die was, zo mompelde hij: ‘nogniehelemaalaf’. Ze hoorden het maar half. ‘Opname drie tellen na nu.’ En zo begon hij, eerst aan een volwaardige column, daarna met het voorlezen van een stuk dat in een opzetje was gestrand, en dat hij nu voor het grootste deel moest improviseren. Dat is hem in de 25 jaar daarna ook niet meer gebeurd, dat kan hij ons wel vertellen.
En hij wílde zo graag. Om financiële redenen, zeker — De Nieuw Linie betaalde waardeloos —, maar vooral ook uit idealisme. Het radioprogramma Vroege vogels had in 1978 de fakkel overgenomen van het veel oubolliger Weer of geen weer. En nu stonden er geen zondagse wandelingen op de Sint Jansberg meer centraal — zoek de kleine karekiet —, maar draaide het vooral om het milieu. Milieu was hot. En milieu was ook precies het terrein waar hij zich met ‘de zelfgebreide bende’ zoals hij zijn oud-studiegenoten noemde, voor inspande. Het plan van de gemeente Amsterdam om in het westelijk havengebied met petrochemische industrie te beginnen (bijvoorbeeld), hadden ze bijvoorbeeld ze al aardig gefnuikt.
Hij wilde de linkse en groene VARA graag laten zien wat hij waard was. En dat lukte, bij column acht. Elke week nam hij een dier bij de kop, en die week ging het over de olifant. Hij vertelde over het executeren van weerbarstige exemplaren: met 107 geweerschoten, een giftige appel of door middel een galgconstructie aan een hijskraan. Old Mary, zoals de ongelukkige olifant heette, kreeg de strop. ‘Volgens de overlevering trompetterde ze nog één keer,’ sloot hij zijn column af, ‘heel zachtjes. Dat is pas circus.’
VARA-nestor Jack Gadella sloeg hem na afloop van het verhaal op de schouder. ‘Goed gedaan, jochie,’ klonk het in onvervalst Utrechts, ‘jij mag blijven.’ En hij bleef: Midas Dekkers. Of eigenlijk ‘Wandert’ Dekkers — want op zijn 17de had hij naam veranderd in die van de bekende Disney-wolf. Misschien was vergelijking met de oude Griekse Midas treffender geweest, de koning die volgens de legende alles wat hij aanraakte in goud veranderde. Maar die Midas kende hij toen nog niet.
Aan het woord is de huidige bewoner, die koffie schenkt en nog even doormijmert over de wolf en de drie kleine biggetjes. Zo had hij graag het einde van het verhaal gezien: een zilveren schaal met drie dampende varkentje erop, de goudgele billen omhoog. Zo had hij ze ook graag getekend, als hij cartoonist was worden, wat toch in de planning zat. De naam ‘Midas’ ondertekende dan lekker, net als ‘Yrah’ of ‘Scapa’. Maar nóg liever was hij natuurkundige geworden, of eigenlijk: uitvinder.’
 
Voor striptekenen had hij te weinig talent, eerlijk is eerlijk, en ook als uitvinder is hij ook niet helemaal uit de verf gekomen. Al sleepte hij in 2003 wel de Eurekaprijs in de wacht, naar aanleiding van zijn boek De larf, en het jaar daarvoor nog de  Intermediair Wetenschapsboekenprijs. Dus helemaal vervlogen is hij niet, die oude droom op zolder.
In de grote werkkamer, links boven de voordeur, de oude raadzaal, moet het allemaal gebeuren. Hier trekt hij zich na een rustig ontbijt, om een uur of half twaalf, terug om te werken aan zijn columns en zijn boeken. Die ontstaan al wandelend, met een klembord in de hand voor de eerste krabbels. Zo wandelt hij langs het rariteitenkabinet midden in de ruime: een oude Parijse vitrinekast voor taart en gebak, nu vol gezet met schedels en opgezette beesten. Hoe ouder en verbleekter, hoe schots en schever op de pootjes, hoe liever. ‘Zo’n oud, dood beest, is meer dan een levend beest,’ vindt hij namelijk, ‘daar zit ook de geest van de preparateur in.’ Dan gaat de wandeling verder om de grote kloostertafel en terug in de richting van het raam aan de voorzijde. Daar bevindt zich een lessenaar op sta-hoogte, voor de eerste serieuze aantekeningen; en het bureau met de elektrische typemachine, waar de tekst uiteindelijk tot stand komt. De nadruk ligt hier op ‘uiteindelijk’.
 
‘Deze ruimte dient vooral om in de stemming te komen,’ zegt hij. ‘Het is ook een soort uitwendige voortzetting van mezelf. Alles wat er zich in mijn hoofd afspeelt, staat hier gematerialiseerd. Als iets me interesseert, plak ik het aan mezelf. Hij doelt niet alleen op de duizenden boeken, keurig gesystematiseerd tegen alle wanden waar geen ramen of deuren zijn, maar ook op planken met stapels aantekeningen en documentatie — alles keurig gestickerd en gelabeld. Overzicht houden, greep krijgen. Het is zijn vak, de wereld ordenen: de rooie bij de rooie, de gele bij de gele. Hij studeerde af op Zuid-Oost-Aziatische-zoetwater-kogelvissen-systematiek. Maar het is ook zijn aard. En het wérkt. In één van de kasten staan de vijftig titels die hij inmiddels heeft geschreven. Plus zijn trots: de boeken die hij wel heeft geschreven, maar zelf niet kan lezen, omdat ze in de een of andere Scandinavische of Aziatische taal zijn omgezet.
 
Hij staat nu voor het raam van zijn werkkamer. ‘Stel,’ zegt hij dan, ‘het is pakweg 1870, je woont in Londen en je bent — ik zeg maar wat — de beste bioloog. En stel: je wilt de beste natuurkundige spreken. Nou, dat kan. Die woont twee straten verderop. Of de beste chemicus? Dan moet je misschien een stukje met de koets. Maar het hele weten woont bij je in de buurt, dat is toch jaloersmakend?!’
 
Buiten kleppert er een paard voorbij met een schommelend tienermeisje op de rug. Een bus remt af en rijdt er in een ruime boog omheen. ‘Nee,’ zegt hij, ‘die mannen hadden helemaal geen internet nodig. Die woonden bij elkaar om de hóek.’
Hij noemt zichzelf ook een ‘binnenbioloog’. Zoals de kamergeleerden uit de negentien eeuw die hij zo hoog heeft zitten. Heren van verstand met as op het vest, een royale bibliotheek en een huishoudster om aan de achterdeur de leveranciers te ontvangen. O zeker, hij gaat wel eens de natuur in. Maar niet met het enthousiasme van zijn biologenvriendjes. ‘Die jongens lagen al met een verrekijker in de wieg. Die gingen na de crèche direct door naar NJN (Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie). Die hadden op hun zévende al een baard.’ 
 
Veldbiologen, hij is er ook jaloers op. Goed, wantsen zijn leuk — wantsen zijn z’n lievelingsbeesten. Dus loopt hij altijd met zijn neus naar de grond als hij de natuur in gaat. ‘Wat weer als voordeel heeft,’ meent hij, ‘dat je nooit in de poep trapt.’
Het eigenlijke voordeel schuilt hem natuurlijk in iets anders. In zijn toon. Hij is bioloog die met een glimlach achter het raam blijft staan. Die nuchter en met lichte spot over de materie kan praten. ‘Want dat is het probleem met meeste biologen,’ zo geeft hij toe, ‘die storten zich met zoveel liefde op een onderwerp, dat het al vermorzeld is voor anderen er kennis van kunnen nemen.’
Die toon kwam ook uitstekend van pas toen hij in 1987 televisie ging maken. Dat was zijn eigen schuld. Bij het radioprogramma  Spijkers met koppen had hij geroepen dat niets zo langdradig en neuzelig was als natuur op tv. De dag erop werd hij al gebeld door Jan Nagel, het toenmalig Hoofd Informatieve Programma’s van de VARA. Of hij over drie weken met een serie kon beginnen — ze waren reuze benieuwd hoe het dan wél moest.
Natuur op televisie. Aan de ene kant had je Sir David Attenborough. ‘Die man gaf natuurlijk de allermooiste imitatie van een veldbioloog ten beste,’ zegt hij. ‘Maar voor ons werd dat wat begrotelijk. Overal in de wereld zaten lui die voor hem de boel in de gaten hielden. En als er dan ergens een ei op uitkomen stond, werd direct de presentator ingevlogen om op de boomtak erboven plaats te nemen.’
Aan de ander kant had je Desmond Morris, de man van De naakte aap. Morris was, net als Dekkers, een ‘binnenbioloog met een klein budget’, zo was hij althans  begonnen: in een studiootje met één camera. Morris maakte gebruik van bestaand beeldmateriaal, en hield dan zelf een kuitbeen van de Homo erectus omhoog om het verhaal aanschouwelijk te maken. ‘Zo zouden wij het ook doen,’ zegt hij. ‘Een poes voor de camera, die laat je aan alle kanten zien: dit is de bovenkant, dit is de onderkant; daarna kom je met gekochte beelden over de ‘oerpoes’ — een leeuwengroep in Tanzania — en vervolgens schakel je weer terug naar de knorrende Abbesijn op je desk.’
Dan kun je tegenwerpen: was dat niet ongeveer ook de opzet van Ja, natuurlijk? ‘Ja,’ antwoordt hij dan, ‘maar wij konden die bloemstukken niet betalen.’
De ‘binnenbioloog’ — hij vond de habitat die het beste bij hem en zijn eerste programma Midas paste: Oortjeshekken, een huiskamercafé in de uiterwaarden bij Nijmegen. Met een konijn op tafel en een glas jenever binnen handbereik, zo brak hij in 1987 door naar het grote publiek.
Van alle televisieprojecten die daarop zouden volgen, tot het boekenprogramma Eerste druk aan toe, is de serie Gefundenes Fressen (2001) misschien wel het meest opzienbarend geweest. Proefjes doen, daar draaide het om. Proefjes doen in een keukendecor. Eindelijk mocht Dekkers zijn laboratoriumjas weer eens aan, dat was mooi, maar het programma had ook iets stekeligs: het gaf lucht aan zijn ergernis dat mensen hun leven lang dingen doen zonder zich af te vragen waaróm. Hoe kómt dat een oneetbaar ei na vijf minuten in kokend water wel eetbaar is? 
Het leek alsof Nederlands grote knuffelbioloog ineens een stukje minder knuffelig werd. Toen hij een goudvis uit zijn kom haalde bijvoorbeeld, het beest met een houten hamer de kop insloeg, in een koekenpannetje bakte, pruttel-pruttel-pruttel, en opat. De portee was duidelijk: wat u niet wil dat uw goudvis geschiedt, doe dat ook de haring niet. Want wat was het verschil tussen die twee dieren? Behalve dat onze ‘maatjes’ ook nog eens een uur op het dek van een schip liggen te creperen?
Met ‘ontknuffeling’ had dat volgens Dekkers niks te maken. ‘Jaren dáárvoor had ik al eens het recept voor goudvis gegeven,’ zegt hij. ‘Op de radio. Het was nu meer de impact van het beeld dat het ‘m deed.’
Optreden voor managers. ‘De geldmannetjes’, noemt vriendin Ruth ze, als Dekkers zijn enige paar lederen schoenen weer aantrekt en zijn koffertje pakt. ‘Ga je weer naar de geldmannetjes?’ Zelf vindt hij het wel leuk, optreden in het hol van de leeuw. ‘Voor architecten, nóg erger.’ Waarom niet? Hij gaat uit van het eenvoudige princiep: zolang ze bij hem in de zaal zitten, kunnen ze elders geen kwaad. En geld dat ze aan hem uitgeven, kan niet meer in ándere zaken worden gestoken. ‘Heren architecten, als u eens wat mínder vaak de handen uit de mouwen steekt,’ zegt hij dan. De stiekeme hoop is dan natuurlijk dat er tóch iets van zijn verhalen beklijft. ‘Maar goed, ik ben ook niet gek. Ik weet ook wel dat ze denken: “Hartelijke dank, meneer Dekkers, fijn gelachen” — om de volgende dag weer ergens een extra verdieping op een kantoorgebouw te zetten. Dat is het gevaar dat mijn hele carrièretje al op de loer ligt: dat ik een soort lolbroek word.’
Hij is geen fan van zijn eigen stukjes, dat we dat niet denken. Hoogst zelden heeft hij het gevoel dat hij écht de juiste snaar getroffen heeft. Laatst lukte het, een dikke maand terug. Ze namen een aflevering van Vroege vogels op in ’s Graveland, op het terrein van Natuurmomenten. ‘De Vereniging die net de ganzenjacht weer heeft toegestaan. Ik vertelde dat ganzen hechte stelletjes vormen: dat als je er één doodschiet, de ander als weduwnaar achterblijft. Dat zo’n beest dan twee jaar helemaal van de kaart is; in de hiërarchie zakt tot de laatste plaats, omdat niks hem meer een moer kan schelen. En ik eindigde het stukje met het beeld dat ik onderweg zo’n eenzame gans tegenkom en me bedenk dat zijn partner misschien wel door een kogel van míj is doodgeschoten, eentje die met mijn contributie voor Natuurmomenten is betaald. Ja,’ — daar is die glimlach weer — ‘zo mag ik er wel meer maken. Daar zit alles in. ’
Aan de basis van zijn columns ligt in ieder geval al jaren hetzelfde principe. Hoe dring ik met mijn boodschap tot de  hoofden door? Want hij twijfelt over alles, maar één ding weet hij zeker: dat de wereld naar de klote gaat als de mensen méér en méér en méér blijven willen… ‘Maar ja, ik geloof niet dat ze luisteren. En ik heb de tijd ook niet bepaald mee: milieu is uit. ’
Tot zover het nut van Vroege Vogels-stukjes voor de wereld. En voor hemzelf? Een pikzwarte poes krult zich rond zijn been. ‘Al vijfentwintig jaar ben ik verplicht iedere week een nieuw dingetje te verzinnen,’ zegt hij. ‘Dat is natuurlijk goed, dat zou voor ieder mens goed zijn. En zolang het me lukt om het venijn dat er onderzit nog een béétje te verdoezelen, zolang ik daar lol in schep, houd ik mijn eigen leven ook wel leefbaar.’
Delen:

Praat mee

onze spelregels.

avatar
0/1500
Bedankt voor je reactie! De redactie controleert of je bericht voldoet aan de spelregels. Het kan even duren voordat het zichtbaar is.

Altijd op de hoogte blijven van het laatste nieuws?

Maandag, woensdag en vrijdag versturen wij je alle informatie uit de radio en tv-uitzending en het laatste internetnieuws.