
Roeland Fernhout
© Hilde Harshagen
Het spelen in Downtown, over de aidsperiode, was voor Roeland Fernhout pijnlijk genoeg. ‘Ik heb die geschiedenis geleefd.’
‘We gaan,’ zegt Roeland Fernhout (54) na twintig minuten. Hij staat resoluut op. Hoewel hij aan de jonge man achter de bar van zijn stamcafé had gevraagd of de muziek uit mocht, kon hij de groep van tien man, die aan het tafeltje naast ons plaatsnam, niet wegkijken. Bij hem thuis dan maar, op een steenworp afstand, ‘bij hoge uitzondering.’
Fernhout, sinds de jaren 90 actief als acteur en een tijd lang ook als tv-presentator, is gesteld op zijn privéleven en het lukt hem sinds jaar en dag uitstekend om de twee werelden gescheiden te houden. Ik beloof dat ‘my lips sealed’ zijn, maar dat er door hemzelf gebakken, heerlijke vlinderkoekjes wachtten, mag hier vast wel worden vermeld.
In het café had ik net een stukje uit een interview met de VARAgids uit 2010 voorgelezen. Dat stuk ging over de Nederlandse film in de jaren 90 en hoe hij terugkeek op Zusje – bij uitstek een film uit die tijd – waarin hij en Kim van Kooten de hoofdrollen speelden. Fernhout noemde de film in het interview ‘bijna een portret van een Amsterdam dat niet meer bestaat’ (…) ‘de jaren van het hedonisme: wat vind ik leuk, verschaft mij plezier en genot.’ Maar het waren ook de jaren, zei hij erachteraan, die volgden op de tijd, eind jaren 80, dat hij nog in Den Haag woonde en als 17-jarige ‘elke maand wel een keer op het kerkhof stond omdat er weer een vriend was overleden.’ In het artikel zei hij niet waaraan, omdat iedereen wel wist waaraan in de jaren 80 jonge, vooral homoseksuele mannen overleden: aids.
Fernhout speelt nu opnieuw in een film over een Amsterdam dat niet meer bestaat. In Downtown, waarmee deze week het Nederlands Film Festival opent, neemt regisseur Michiel van Erp ons mee naar eind jaren 80. Naar de extravagante club Downtown (gemodelleerd naar de Roxy en de iT) waar de Amsterdamse gayscene zich ophield, danste, flirtte en cruiste. De film richt zich op drie jonge mannen die er kind aan huis zijn: Ronnie (Sebastián Mrkvicka), Lennart (Daniel Cornelissen) en Bas (Thor Braun). Maar de film speelt zich niet alleen af in het verleden. Hij springt heen en weer tussen toen en ‘nu’ – om precies te zijn tussen de aidscrisis toen en de coronacrisis in 2021, wanneer de drie voormalige vrienden elkaar na 32 jaar weer ontmoeten. De oudere versies van de drie vrienden worden gespeeld door Yorick van Wageningen (Ronnie), Hans Kesting (Lennart) en Fernhout (Bas).
Het is er nog niet van gekomen.
Dat is minder vreemd dan mensen denken. Ik ga hem zeker zien, ook omdat ik Michiel van Erp dankbaar ben dat ik deze rol mocht spelen. De reden om niet alles terug te zien is vaak pragmatisch: wanneer je veel speelt, heb je geen tijd om alles terug te zien. In dit geval speelt er nog iets anders. Ik heb deze geschiedenis geleefd én ik heb hem gespeeld en beide zaken hebben me aangeraakt. Al kun je als acteur spel en werkelijkheid goed uit elkaar houden, je komt terecht in een gebied dat pijn doet. Er ook nog naar kijken wordt pijn op pijn op pijn. Dus het is alleen uit respect voor Michiel dat ik hem ga zien.
Al kun je als acteur spel en werkelijkheid goed uit elkaar houden, je komt terecht in een gebied dat pijn doet.
Allereerst dus dat ik een diep persoonlijke band heb met deze geschiedenis. Ik denk trouwens dat dat voor iedereen geldt die meewerkte aan deze film: regisseur Michiel van Erp, scenarist Frank Houtappels, mijn tegenspelers Hans en Yorick. Maar om voor mezelf te spreken: ik was door allerlei omstandigheden nog heel jong en ik denk ook de hekkensluiter van die traumatische periode. Ik merk bijvoorbeeld dat de generatie na mij een heel andere band heeft met hiv en aids dan ik. Ik ben er echt door gevormd. Seks was eng en gevaarlijk. Maar in mijn generatie zie je ook een fundamentele angst om je te binden, of om je over te geven aan iemand. En er is een eenzaamheid, die zo fundamenteel is geïnternaliseerd, die gaat nooit meer weg. Dat zie ik bij iedereen die die ellendige tijd heeft meegemaakt. Want mind you: je ging er dood aan. Op een heel akelige manier. De mensen die ik het eerst heb verloren, ach, dat was niet fraai. Dat was echt blind en doof, een vreselijke huid… En dat had je dan van iemand gekregen.
Dat is inderdaad zachtgezegd. Ik vind – en dat vind ik oprecht – dat Lennart en Ronnie Bas kapot hebben gemaakt. Ten eerste: hoe komt Bas aan het virus? Dank je wel Lennart! Want dat is altijd een heel gevaarlijk en giftig element geweest: je kreeg het van iemand. Iemand had jou dat aangedaan. Waar ligt de verantwoordelijkheid? De mogelijkheid om het iemand te verwijten, was ontzettend giftig. En dan was er nog de schaamte. En dat is wat mij betreft de belangrijkste factor voor Bas: omgaan met de schaamte. Toen hij ontdekte dat hij besmet was, verdween hij uit hun levens. Hij bouwde zo goed en zo kwaad als het ging een bestaan op in, ik denk, de provincie en nu ontmoet hij die twee mannen weer. Een van hen is de man met wie hij een relatie had en aan wie hij een monogame relatie had voorgesteld. En die antwoordde dat hij niet ‘zo burgerlijk’ moest doen. Maar die hem wel heeft besmet. Nee, dan is het niet gelijk pais en vree.

Roeland Fernhout
© Hilde Harshagen
Nou, ik vind dat als jij om monogamie vraagt en iemand daarop zegt: doe niet zo burgerlijk, behoorlijk stuitend. Je kunt zeggen ik kan je dat geven of ik kan je dat niet geven, maar om dít te zeggen, vind ik een beetje onvolwassen.
Op een soort rare manier wel. Hoewel ik me heel goed de heerlijkheid van het niet verantwoordelijk zijn herinner. Ik was een echt housekind, kon weekenden doorgaan, niemand die me wat deed. Dat gevoel, die vrijheid was fantastisch. Tegelijkertijd zat ik al op de Toneelschool en wist ik heel goed wat ik wilde. Dat sommige dingen niet konden, was kraakhelder voor mij.
Ik was de heilige maagd Maria. Ik was als de dood voor seksualiteit. Nog steeds. Op een diep fundamenteel niveau.
Het komt niet zo vaak voor dat je iets kunt doen wat belangrijk is voor je eigen leven, maar dat ook maatschappelijk relevant is. Ik herinner me zo goed de eenzaamheid uit die tijd. Ook de eenzaamheid van de mensen die ziek waren. Er is een groot deel van een generatie gestorven. Dat ging bijna in stilte. Dat moest verborgen blijven. Er werd niet over gesproken. Bij de eerste sterfgevallen die ik zelf meemaakte, had de ziekte nog niet eens een naam. ‘Leukemie’ noemden we het. Dus het is een eerbetoon aan de mensen die zijn overleden, maar tegelijkertijd een eerbetoon aan de mensen die nog leven met het virus. Aan de survivors.