Logo VARAgids
VARAgids brengt verdieping bij tv en media

De Film van Ome Willem (1974 – 1989)

•
Vandaag
•
leestijd 5 minuten
•
ANP-413506612

Edwin Rutten met zijn Geitenbreiers

© ANP

Edwin Rutten (83) over De film van Ome Willem. Van ‘dag rakkers’ tot een dagelijkse lintjesregen.

Bij de eerste opname van De film van Ome Willem, die de VARA op 16 januari 1974 uitzond, staat Edwin Rutten in een studio achter een papieren deur die voor elke aflevering opnieuw wordt beschilderd, zodat hij er telkens door een ander motief heen kan breken. Aan de andere kant zitten op kleine tribunes kleuters uit het hele land, die per bus naar de studio zijn gebracht en daar met zonnetjes en snorren zijn geschminkt. Aart Staartjes, Pieke Dassen en Jennifer Willems zitten als Toon, August en Teun in schuimrubberen pakken. Rutten draagt zijn eigen kleren en een blauw petje dat hij onderweg naar de opname in zijn auto vond. Hij heeft het draaiboek en de liedjes van Harry Bannink geleerd, maar hoe hij moet beginnen, weet hij niet: ‘Pure wanhoop. Op het moment dat ik door die deur kwam en al die kinderen zag zitten, dacht ik: wat moet ik nu zeggen? Dag kinderen? Goedemiddag kinderen? Hallo, hé jullie daar? Ik riep ‘joepie’, maar dat vond ik ook niks, en daar kwam ‘de poepie’ achteraan. Zo is joepiedepoepie in een seconde geboren.’ Het staat sinds 2022 zelfs in de Van Dale.

Rakkers
Zestien jaar lang, in 206 afleveringen, tot de VARA er in 1989 om bezuinigingsredenen mee stopte, zou hij die kreet bij elke binnenkomst roepen, tegen kinderen van vier tot acht die hij rakkers noemde. Dag Rakkers! heet ook het boek dat Geke Mateboer vorig jaar over hem maakte. Het stramien van een aflevering bleef hetzelfde. Eerst kwam de papieren deur, dan het openingslied, waarin Ome Willem kinderen vroeg of ze een broodje poep lustten. Als de zaal ‘Nee, bah!’ schreeuwde, gaf Bannink hem een standje, waarop Ome Willem zichzelf achter het drumstel met de drumstokjes op het hoofd sloeg en met zijn voet tegelijk de basdrum raakte. Daarna volgden liedjes van Bannink op teksten van Willem Wilmink en Karel Eykman, scènes van Jan Riem, de poppenkast met Jan Klaassen en Katrijn, waarvoor Wilmink de teksten schreef, en tot slot ‘Deze vuist op deze vuist’, waarbij de kinderen naar voren stormden en hun vuisten om beurten op elkaar stapelden. Alleen het onderwerp was elke keer nieuw: bedplassen, angst, leren zwemmen, pesten, verdwalen. De vraag die hij het vaakst kreeg, was of alles geïmproviseerd was. ‘Dan zei ik: bedankt voor het compliment, want dan lijkt het alsof het zo uit de mouwen valt. Maar Aart regisseerde juist heel strak. Het enige wat zich niet liet regisseren, was dat kleine publiek.’

Rutten was in 1973 jazzzanger en reclamestem. In de studio’s waar de spotjes werden ingesproken, kwam hij geregeld Staartjes tegen. Het klikte tussen hen. Op een dag belde Staartjes met de vraag of hij weleens iets voor kleine kinderen had gedaan. Rutten antwoordde dat hij er zelf twee had: dochtertjes Lotje en Pien. Recht in de doelgroep. Staartjes bracht de schrijvers mee met wie hij voor de VARA al De stratemakeropzeeshow maakte, en ook Bannink. Joost Prinsen, die met Staartjes die show maakte, had Ome Willem liever door een acteur laten spelen; Staartjes koos volgens Rutten juist hem omdat hij geen acteur was. ‘Aan Harry werd gevraagd: we gaan een kinderprogramma maken, zou het niet leuk zijn als jij daar in smoking achter de piano zit? Dat deed Harry, en zestien jaar lang heeft hij er in zijn smoking gezeten. De term geitenbreier komt van Willem Wilmink. Ik heb er Hoofdgeitenbreier, Grote Grijze Geitenbreier en Papjesgeitenbreier van gemaakt.’ Staartjes had Wilmink ook om een simpel liedje voor kleine kinderen gevraagd waar ze zelf iets bij konden doen. Op de schrijversvergadering haalde Wilmink een papiertje uit zijn binnenzak en las het voor met zijn Twentse tongval: ‘Deze vuist op deze vuist, deze vuist op deze vuist, deze vuist op deze vuist.’ Hij keek de kring rond, ging verder met ‘en zo klim ik naar boven’, en toen bleef het een halve seconde stil. ‘Is dat wat?’ vroeg Wilmink, en na nog een stilte: ‘Kan ik daar dan ook geld voor vragen?’

Te aardig
Staartjes greep in toen Ome Willem hem te lief werd. ‘Aart zei: Edwin, je bent de laatste tijd soms iets te aardig voor de kinderen. Goed, zei ik, jij bent de regisseur. Toen ik door de deur kwam, zaten die kinderen met tekeningen op schoot. Er kwam een meisje met een tekening naar me toe, en ik zei: ik hou niet van tekeningen. Halverwege de uitzending begon ik te pruilen: ik krijg nooit tekeningen. Toen kreeg ik ze alsnog. Aan het eind, bij Deze vuist op deze vuist, tilde ik dat eerste meisje op mijn arm. Zo was Ome Willem: een man van wie je niet precies wist wat je aan hem had, net als de meeste vaders. Dat maakte het spannend.’

Een opnamedag leverde twee afleveringen op, elk in één take van 35 minuten. ‘Je moest het eind van de uitzending halen en kinderen doen onverwachte dingen. Midden in een liedje kwam er een kind naar voren: Ome Willem, wij hebben een nieuw bankstel! Dan keek ik in de camera en zei: ‘Dat is mooi, ik zie hem staan, daar in de hoek.’ Harry speelde zachtjes door zolang het nodig was, en dan zette ik het liedje weer in.’ Bij de staf hoorden de Plasgeitenbreiers, vrouwen van kantoor die kinderen bij hoge nood naar de wc brachten. Wie naar de wc moest, liep door het beeld. Dat bleef thuis niet onopgemerkt. ‘Er kwam een kereltje naar voren: Ome Willem, ik moet plassen! Ik vroeg: moet je zelf plassen, of moet je van je moeder? Van mijn moeder, zei hij. Ik keek hoofdschuddend in de camera en zei: moeder, moeder, heb je de recorder al aanstaan?’

Het broodje poep werd zo populair dat moeders er thuis een knutselden van ontbijtkoek en een kadetje en het hem vanuit het publiek aanboden, tot er een keer een broodje met echte poep bij zat. ‘Gelukkig rook ik het meteen. Mmm, zei ik, als ik me niet vergis is dit er een van een Duitse staande hond! Ik deed alsof ik een hap nam, want die moeder moest niet denken dat ze voor niets een drol van de straat had geraapt.’

‘Mensen zeggen: u was mijn jeugd. Dat vind ik zo leuk.’

Linjesregen
Ruim vijftig jaar later wordt Rutten nog dagelijks aan Ome Willem herinnerd, op straat, in de supermarkt en in de file. ‘Mensen zeggen: u was mijn jeugd. Dat vind ik zo leuk.’ Vaak krijgt hij de vraag of hij Staartjes, Bannink en de rest van de ploeg nog weleens ziet. ‘Nee, zeg ik dan expres een beetje bot, ze zijn allemaal dood, ik ben de enige die er nog is. En dan wijs ik op mezelf: maar daar wordt aan gewerkt.’ Dat mensen hem nog altijd aanspreken, beschouwt hij als een onderscheiding. ‘Dankzij dat programma heb ik iedere dag lintjesregen.’ 

Dit artikel komt uit de VARAgids (editie 44, 2026).

VARAgids TV-encyclopedie

In de VARAgids TV-encyclopedie wekelijks biografieën over oude en nieuwe televisieprogramma’s, aan de hand van de mensen die meewerkten of het presenteerden.

We delen VARAgids-artikelen uit het archief die in deze encyclopedie thuishoren, wekelijks aangevuld met een nieuw verhaal. Bekijk alle verhalen op varagids.nl/tvencyclopedie

VARAgids Avondeditie

Nooit meer zoeken wat u moet kijken: elke werkdag gratis tv-tips, talkshow-onderwerpen en streamingnieuws in uw inbox.

Je kunt je op elk moment uitschrijven. Bekijk of beheer hier alle nieuwsbrieven.

Wil je meer weten over de manier waarop wij met jouw gegevens omgaan? Lees dan ons Privacy statement.

BNNVARA wij zijn voor