De ene student krijgt tijdens vier jaar studeren ruim 15.000 euro aan basisbeurs. De andere student kreeg helemaal niets en moest dat bedrag lenen. Het verschil? Ze begonnen in een ander jaar met studeren. Wat betekent dat verschil jaren later? En wordt deze generatie wel genoeg gecompenseerd?
Stef begon in 2019 met studeren. Hij werkte naast zijn studie, maar moest daarnaast geld lenen om rond te komen. Nu, jaren later, staat er ongeveer 30.000 euro studieschuld op zijn naam. "Het voelt wel als een gefaald experiment van de overheid."
Een paar jaar later begint Jedidjah aan haar studie. Zij valt onder een heel ander stelsel. Vanaf studiejaar 2023/2024 is de basisbeurs voor hbo- en wo-studenten terug. Voor uitwonende studenten bedraagt die in 2026 ruim 300 euro per maand. Wie vier jaar lang recht heeft op de beurs en op tijd afstudeert, kan daarmee in totaal ruim €15.000 aan basisbeurs ontvangen.
Stef behoort tot wat inmiddels de 'pechgeneratie' wordt genoemd: studenten die tussen 2015 en 2023 begonnen met een hbo- of universitaire opleiding en onder het leenstelsel vielen. Wie geld nodig had, kon daarvoor lenen bij DUO. Het idee achter het leenstelsel was dat studenten investeerden in zichzelf en dat de overheid het geld dat vrijkwam kon investeren in de kwaliteit van het hoger onderwijs.
Maar de basisbeurs kwam in 2023 alweer terug. Daarmee ontstond een opvallend verschil tussen generaties: wie vóór het leenstelsel studeerde kon een basisbeurs krijgen, wie tijdens het leenstelsel studeerde moest vaak lenen en wie vanaf 2023 begon kreeg opnieuw een basisbeurs.
Dat verschil is inmiddels zichtbaar in de schulden. Volgens het CBS had begin 2025 ongeveer 1,6 miljoen mensen een studieschuld. De gemiddelde studieschuld was €18.200. Sinds de invoering van het leenstelsel in 2015 is dat gemiddelde met €5.800 gestegen. Tegelijkertijd is het aantal mensen met een schuld van minstens €50.000 opgelopen tot 146.000. Dat waren er in 2015 nog 33.000.
Het verschil zit niet alleen in de hoogte van de oorspronkelijke schuld. Ook de rente speelt een belangrijke rol. Tijdens de jaren van het leenstelsel was die extreem laag: 0 of 0,1 procent. Maar dat veranderde. Inmiddels is de rente gestegen naar 2,33, 2,56 en 2,57 procent. Voor Stef betekent dat dat zijn schuld niet alleen bestaat uit het bedrag dat hij ooit heeft geleend. Daar komt inmiddels ook een aanzienlijk bedrag aan rente bovenop. "Intussen is er al zo’n 1000 euro bijgekomen. Dat is alleen maar rente.”
Voor studenten die onder het leenstelsel vielen, bestaat al een tegemoetkoming. De eerste bedroeg bijna 1.700 euro. Studenten die tussen 2015 en 2019 begonnen met studeren, kregen daar nog een specifieke tegemoetkoming van bijna 2.200 euro bovenop. En daar komt nu opnieuw een bedrag bij. In het debat van 23 september 2026 kondigde Rianne Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, aan dat de nieuwe tegemoetkoming definitief is: ruim 2.100 euro.
Maar wat betekent dat in de praktijk? Neem iemand die nu studeert. Die ontvangt in vier jaar tijd zo'n 15.000 euro aan basisbeurs. Wie in 2019 begon met studeren, liep die basisbeurs grotendeels mis. Zelfs met de verschillende compensaties van de overheid en een correctie voor inflatie blijft het verschil aanzienlijk: zo'n 9.000 euro.
Econoom en docent macro-economie Ciara van Krevel heeft zich verdiept in het leenstelsel. Volgens haar was het probleem dat een generatie studenten de rekening kreeg van een beleidskeuze waarvan de voordelen niet evenredig bij diezelfde generatie terechtkwamen. "Het heeft ze vooral gewoon de rekening gepresenteerd voor iets waar andere studenten dus nu gratis van kunnen profiteren."