BNNVARA
Een eerlijk en gelijkwaardig Nederland. Wij zijn voor. Jij ook?

Waarom wordt er niet omgekeken naar de beveiligers, thuiszorgmedewerkers en schoonmakers?

16 jun 2021
  •  
leestijd 3 minuten
  •  
2947 keer bekeken
zorgmedewerker

Zorgmedewerker

© Pexels

‘Ik kom uit een warm gezin. Mijn moeder was er altijd, ik heb een fantastische jeugd gehad. Ik heb nooit een moment gedacht dat wij zielig zouden zijn. We waren trots, maar wel arm’, vertelt FNV-vakbondsman en voormalig SP-voorzitter Ron Meyer in Buitenhof.

Ron Meyer groeit op in een arbeidersgezin in Heerlen, Zuid-Limburg. Zijn ouderlijk huis staat in de wijk Zeswegen. Een diverse wijk, waar veelal mensen wonen die het financieel niet breed hebben. Maar dat heeft Meyer nooit in de weg gestaan. ‘Wij voetbalden in de zomer altijd het WK-pleintjesvoetbal. Dat konden wij met alle nationaliteiten, behalve de Scandinavische – dat moesten dan de blonde Nederlandse jongetjes en meisjes doen. Dus ja, als je op vakantie ging dan stond je op achterstand. Die enkele kinderen die met hun ouders naar de camping moesten, die waren uitgeschakeld voor het WK-pleintjesvoetbal.’

Grote verschillen
Pas wanneer hij naar de middelbare school gaat merkt hij dat er kinderen zijn die op een andere manier opgroeien, en andere verwachtingen, kansen en principes hebben. ‘Daar merkte ik dat als kinderen het hadden over de achtertuin, dat ze dan niet die paar meter bedoelde - zoals bij ons thuis - maar dat voetbalveld achterom. Er werd anders gesproken. Het ging bijvoorbeeld over wat de vaders voor werk deden. Dat was bij ons volstrekt onbelangrijk; wel interessant, maar niet belangrijk als het gaat om het beoordelen van iemand anders.’ Zich schamen voor zijn afkomst doet hij nooit. ‘Mijn ouders zeiden altijd: “Aan het eind van de dag moeten ze allemaal een keer naar het toilet.” Dat was ook een trotse houding. Ik schaamde me niet, integendeel. Maar ik zag wel dat er grote verschillen waren.’
Ron Meyer - Buitenhof

Ron Meyer

© Buitenhof

Dubbeltjes & kwartjes
Langzaamaan gaat de financiële situatie waarin Meyer opgroeit een grotere rol spelen in zijn leven, omdat hij beseft dat de mensen waarmee hij in aanraking komt dit belangrijk achten. Hij gaat herkennen dat mensen in zijn positie minder kansen en minder waardering krijgen en dat er daarbij niet naar ze omgekeken wordt. Het aloude ‘van een dubbeltje een kwartje worden’ gaat niet meer op. Althans, voor de meesten niet. Zelf weet Meyer zich te ontworstelen aan zijn situatie. Hij gaat naar het gymnasium en studeert vervolgens Fiscaal Recht aan de Universiteit van Maastricht. Maar daar gaat het niet om, volgens Meyer. ‘Twee derde van ons land bestaat uit mensen die maximaal mbo hebben gedaan. Dat is de vuilnisman, de thuiswerker, de monteur die je helpt als het nodig is. Ik ben er niet tegen dat mensen gaan studeren als ze kunnen studeren, maar het is toch de wereld op zijn kop dat de mensen die het land overeind houden aan het einde van de maand steeds weer moeten zien of ze het gat kunnen vullen.’ Waardering voor werk heeft niks te maken met het niveau. En ook ‘ontworstelen’ is eigenlijk niet de juiste term. Want al het werk dat bijdraagt aan het functioneren van onze maatschappij is even belangrijk en waardevol, ongeacht niveau.

Stank voor dank
Maar zo werkt dat op dit moment niet. ‘De mensen die het land overeind houden. Vroeger was dat bijvoorbeeld de mijnwerker, nu is dat onder anderen de thuiszorgmedewerker. En tegelijkertijd zien we dat die thuiszorgmedewerker, de schoonmaker en de vuilnisman op geen enkele manier de waardering krijgen die zou moeten staan voor de mensen die het land overeind houden. Integendeel: het zijn de mensen die het laagst beloond worden, de meeste onzekerheid kennen en als stank voor dank ook nog eens zes jaar eerder doodgaan. Die pijn raakt mij ook persoonlijk.’

Dominante plekken
Die mensen horen we amper. ‘Zij zitten niet op dominante plekken; dat is allemaal de hoog gestudeerde klasse of de economische elite. (…) bijvoorbeeld de woningcorporatie, daarvan zijn we gewend dat de directeur nooit in een corporatiewoning woont, maar niet alleen de directeur woont daar niet: alle medewerkers van de corporatie wonen daar niet. Waarom kan de directeur niet aan de fit & proper-test voldoen? De pijn en de kennis van de massa worden weggegooid en managementstrategieën geven de doorslag. Daar kan ik niks mee.’