Sfeerfoto van BNNVARA
BNNVARA

BNNVARA

Vóór vooruitgang, vrijheid en verandering

We denken dat het beter kan: open, gelijkwaardig en rechtvaardig. Dit bereiken we niet alleen, dus sluit jij je aan?

VOLG ONS

Hoe schrijf je een goed Sinterklaasgedicht?

1 dec 2019
  •  
leestijd 5 minuten
6531071767_7bc8e245f5_k

© Flickr

Dichter Ingmar Heytze wil wel eens weten hoe het zit met die Sinterklaasgedichten. Gelukkig is de Sint bereid om zijn vragen te beantwoorden. Plaats van handeling: de SS Rotterdam.


Sinterklaas, dankuwel dat u een halfuurtje voor me hebt vrijgemaakt. Waarom schrijven we eigenlijk Sinterklaasgedichten?

De Goedheiligman haalt zijn roodfluwelen schouders op en kijkt dramatisch omhoog. ‘Ik vind het een ontzettend leuk gebruik, echt waar. Maar vraag mij niet waar het voor nodig is. Het is raar gesteld met de poëzie in Nederland: er zijn hier meer dichters dan lantarenpalen, en toch gaan jullie alleen met gedichten aan de gang als er een geboortekaartje wordt ontworpen, als er een rouwadvertentie in de krant moet en op mijn verjaardag. Als iemand me toch eens kan uitleggen waarom dat zo is…’


U heeft gelijk, dat is vreemd. Maar weet u dan tenminste waar dat gerijmel vandaan komt?

‘Zoals met de meeste gebruiken rond mijn verjaardag, heb ik het niet bedacht. Mensen gaan ermee aan de haal. Net zoals bij de literatuur in het algemeen, zie ik ook de Sinterklaasgedichten door de tijd heen veranderen. Honderdvijftig jaar geleden waren die gedichten, net als de cadeautjes, alleen van grote mensen voor kinderen. Die versjes waren ook heel opvoedkundig verantwoord. Een beetje braaf, vond ik dat. En onaardig, want er zat ook nog een hoop straf, schuld en boete bij. Eigenlijk is dat niets voor mij, ik ben een kindervriend. Maar goed, inmiddels geeft iedereen elkaar iets, dat loopt allemaal door elkaar: volwassen aan volwassenen, ouders aan kinderen, kinderen aan ouders, ga zo maar door. Ik kan er geen chocola meer van maken, maar ik vind het ook wel gezellig. Er was ook nog een tijd dat die gedichten echt waren bedoeld om de ontvanger van het pakje… hoe zeg ik het nou netjes… (buigt zich voorover en fluistert in mijn oor) eh… af te zeiken. Dat vond ik niet echt leuk. Een beetje plagen mag best, maar om iemand nou te dwingen om de een of ander zwabberende tekst van drie kantjes voor te lezen, vol met flauwe grappen ten koste van zichzelf – daar is mijn verjaardag niet voor bedoeld. Volgens mij is nu allemaal weer wat vriendelijker, daar ben ik blij om.’ 

Heeft u nog tips voor een geslaagd Sinterklaasgedicht?

‘Zoveel als haren in mijn baard! Ik zie de meest gedrochtelijke dichtsels langskomen. Hoe moeilijk is het nou om een leesbaar versje te maken? Je hoeft ten slotte niet meteen te mikken op de P.C. Hooftprijs. Het is een gedicht bij een cadeautje. Ga er gewoon even voor zitten en maak er iets van!’

 

Kennelijk vinden veel mensen dat moeilijk. Wat ziet u zoal misgaan?

‘Allereerst is er het waanidee dat een Sinterklaasgedicht moet rijmen. Ik vind dat zelf wel het mooiste, laat ik daar eerlijk over zijn. Ik ben tenslotte ook de jongste niet meer, al die rare verhaaltjes die zo’n beetje spontaan in stukjes zijn gehakt, daar kan ik niets mee. Geef mij maar een gebeeldhouwd sonnet of een mooi liedje van Drs. P. Maar: we moeten al zoveel! Het Sinterklaasfeest gaat nou juist over dingen mógen, en dat geldt ook voor de gedichten die erbij horen. Het mág rijmen. Maar er móét helemaal niets. Nou ja, het is prettig als het een beetje ritme heeft, en als het niet te lang is, want ook op het Heerlijk Avondje hebben mensen misschien nog wel iets anders te doen dan taaitaai eten en gedichten aanhoren. Maar ik lees liever een mooi gedicht dat niet rijmt, dan een prutsversje vol kermisrijm.’


 

Eh, Sinterklaas, wat is dat, kermisrijm?

‘Daar bedoel ik al die tot op de draad versleten clichés mee. “Denken” laten rijmen op “schenken”, dat soort kinderachtigheid. Doe het dan niet, denk ik altijd. Dat geldt ook voor de invulversjes die kunt laten maken op die stomme websites. Als je een gedicht laat schrijven door een robot, moet je niet verbaasd zijn dat het volkomen toonloos is. Poëzie is voor mensen van vlees en bloed. Schrijf je dat op?’

 

Komt in orde, Sinterklaas. Kunnen wij, dichters van vlees en bloed, misschien nog wat tips krijgen?

‘Om te beginnen: besluit van tevoren hoe lang het moet worden en hou je daar ook aan. Ik zou zeggen: hou het op maximaal twintig regels, daarin moet je je ei toch wel kwijt kunnen. Korter mag ook. Besluit vervolgens hoe lang die regels zijn. Tien lettergrepen is een prima gemiddelde. Iets meer of minder kan ook, als het maar zoveel mogelijk gelijke lengte is. Ik vind het geen slecht idee om gewoon een mooie regel uit de poëzie voorbeeld te nemen: ‘Ik heb een ceder in mijn tuin geplant’, of ‘Ik ging naar Bommel om de brug te zien’. Hoor je ook dat die regels een goed ritme hebben? Dat vind ik nog belangrijker dan rijm. Als het allemaal een beetje loopt, is het al snel mooi, en dan is het ook wat makkelijker voor te lezen door de ontvanger, want die ziet de tekst ook voor het eerst. Maar…’

Ja, Sinterklaas?

‘…weet je wat het werkelijke geheim is? Iedereen kan een cadeautje kopen voor een ander. Soms is het een mooi, persoonlijk geschenk waar echt goed over nagedacht is. Meestal is het iets wat iedereen al ziet aankomen, zoals een chocoladeletter, of iets praktisch, zoals een paar nieuwe sokken of een fles doucheschuim. En dat is oké. Een kind begrijpt dat nog, veel volwassenen niet: het doet er niet zoveel toe wat er precies in zo’n pakje zit. Maar een gedicht waar je echt je best op hebt gedaan, iets unieks wat er nog niet was voordat jij besloot het te gaan schrijven, een gedicht waar een stukje van je ziel in zit, dat bovendien maar voor één ander mens op de wereld is geschreven – daar kan je eigen gewicht in borstplaat niet tegenop. Je gedicht, hoe goed, slecht, grappig of flauw ook, dát is het echte cadeau. Je geeft geen stuk marsepein met een gedicht erbij, je geeft een gedicht om bij te snoepen. Zo, en nu ga ik weer eens aan het werk.’

 

Met die woorden verrijst Sinterklaas uit zijn zetel. Hij slaat in één teug zijn chocolademelk achterover, veegt zijn mond af met een zakdoekje en schrijdt naar de uitgang van het etablissement. Bij de deur geeft hij me een knipoog. Dan zie ik pas dat er op tafel een enorme, rijk gedecoreerde chocoladeletter ligt. Er zit een briefje bij:


 

‘Lichter wordt de dichter niet!

Was getekend: Sint en Piet.’