Sfeerfoto van BNNVARA
BNNVARA

BNNVARA

Vóór vooruitgang, vrijheid en verandering

We denken dat het beter kan: open, gelijkwaardig en rechtvaardig. Dit bereiken we niet alleen, dus sluit jij je aan?

VOLG ONS

Hoe is het om in een gesloten jeugdinrichting te zitten?

5 nov 2019
  •  
leestijd 4 minuten
Jongeren Ilse en Sammy uit de Koppeling

Jongeren Ilse en Sammy uit de Koppeling

© Buitenhof

Schrijver Arnon Grunberg liet zich twee weken opsluiten in de gesloten jeugdinrichting De Koppeling. ‘Deze ervaring is onder mijn huid gaan zitten’, vertelt hij in Buitenhof.

 

Grunberg kwam in aanraking met de inrichting toen hij met een meisje sprak. Zij had enige tijd in de Koppeling doorgebracht. Over alles wilde ze met hem praten, behalve over haar tijd in deze inrichting. ‘Dat wekte mijn interesse.’


Groep 'Obama'
 

De inrichting is, om stigmatisering te voorkomen, opgedeeld in groepen aangeduid met namen van groot leiders. Grunberg: ‘Ik zat in groep Obama. Je hebt bijvoorbeeld ook groep Gandhi en Mandela. In ‘Obama’ komen kinderen terecht die nergens anders terechtkunnen. Mandela is voor forensische gevallen, Gandhi voor kinderen met een (verstandelijke) beperking en Cruijff is voor kinderen die snel weer weg kunnen. De behandel-coördinator van Obama vertelde mij dat hij in concurrentie is met Cruijff zodat ‘zijn’ kinderen ook zo snel mogelijk weer weg kunnen.’

Ontsnappen

Grunberg kan zich de eerste avond dat de deur van zijn cel op slot ging nog levendig herinneren. Om half tien precies sluiten de deuren. ‘Ik vond het indringender dan ik vooraf had gedacht. Die afhankelijkheid die je ervaart, dat je niet zelf vrij kan bewegen, dat is intens.’ Geregeld worden er ontsnappingspogingen gedaan. Dat kon Grunberg zich goed indenken na zijn eerste ervaring met opsluiting. ‘Op dat moment ondervond ik ook aan den lijve dat als ik kon ontsnappen, ik het misschien wel zou doen. Het was bijna sterker dan de ratio.’

 

Opsluiting

Binnen de jeugdzorg en de psychiatrie is er veel discussie over of het opsluiten van kinderen noodzakelijk is. Vaak zijn de kinderen die in deze instellingen zitten al enorm beschadigd, volgens Grunberg. ‘Ze lopen al een hele tijd mee in de jeugdzorg, hebben al allerlei psychiatrische en psychologische hulp gehad, en zijn vaak echt beschadigd.’

De-escaleren


In de inrichting staat de drift naar veiligheid voor Grunberg centraal. De behoefte aan veiligheid en zekerheid is het grootst. Groter dan andere driften. Toch doen zich in De Koppeling ook incidenten voor. ‘Dat is heel ingrijpend. Het is ingrijpend om te zien dat een kind door begeleiders naar de grond wordt gewerkt. En je ziet ook dat sommige begeleiders beter zijn in het de-escaleren dan andere.’

 

De Koppeling maakt geen gebruik meer van de isoleercel om de kinderen in te plaatsen. Helaas kunnen veel andere inrichtingen nog geen afscheid nemen van deze isoleercel. Ieder jaar worden er honderden kinderen eenzaam opgesloten.


Isoleercel
 

Jason Bhugwandass zat in totaal dertien maanden in verschillende jeugdzorginstellingen, waar hij ook meerdere keren in een isoleercel werd geplaatst. Hij kwam terecht in de instelling omdat hij suïcidaal en depressief was. Hij vertelt erover in De Nieuws BV: ‘Ik begon in wat mildere instellingen, maar ik werd vaak overgeplaatst. In de zwaardere instellingen werd ik dagelijks in ‘de isoleer’ geplaatst. Dat kon om verschillende redenen zijn. Bijvoorbeeld omdat ik suïcidaal was, omdat ik een angstaanval had, omdat ik niet meeliep, of als strafmiddel. Meestal zat ik er een paar uur.’ Een paar uur is relatief kort, andere kinderen werden langere tijd opgesloten. ‘Sommige groepsgenoten zaten er wekenlang in.’

'Je hebt alleen jezelf'

Voor Jason verergerde het opsluiten in de isoleerkamers zijn problemen enorm. ‘Je hebt alleen jezelf, en ik had problemen met mezelf. Ik werd opgesloten met mijn probleem. Ik liet op bepaalde momenten best wel extreem gedrag zien. Dat waren de momenten waarop ik de hulp het hardste nodig had en juist op die momenten werd ik alleen gelaten.’

 

Omdat opsluiting zo traumatisch is voor kinderen, moet in 2022 het aantal isoleercellen in jeugdinstellingen tot nul teruggebracht worden. Maar volgens de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd is die deadline niet haalbaar, zo vertellen zij in De Nieuws BV.

 

De dupe van het systeem

Volgens CDA-kamerlid René Peters zijn veel jeugdzorgmedewerkers vaak handelingsverlegen: ‘Ze weten niet goed wat ze met de situatie aan moeten. Dat is niet prima. Daarom moeten die afspraken ook gemaakt worden. Maar dat is niet makkelijk.’ Volgens gedragswetenschapper Sophie de Valk worden de kinderen de dupe van een systeem dat erom vraagt isolatie in te zetten. Omdat medewerkers niet de juiste middelen hebben om jongeren voldoende individueel te begeleiden. ‘Er zijn te weinig mensen en te grote groepen om bij een jongere te blijven als hij een paniekaanval heeft. Als je een jongere naar de afzondering brengt dan betekent dat dat er nog negen jongeren, zonder toezicht, in de groep achterblijven. Daar wil je dan zo snel mogelijk naar terug. De begeleiding die aan die ene jongere kan worden geboden is dan minimaal.’

Er is nog een groot deel van de huidige jeugdinstellingen die niet van de isoleerruimte af zijn. Maar een ander deel maakt wel stappen. Zoals De Koppeling bijvoorbeeld. Daar worden de jongeren nog wel opgesloten op hun kamer, zoals Grunberg al beschreef. Volgens De Valk zit daar nog een gevaar: ‘Dat je een verkapte vorm van afzondering krijgt.’


Zelfbescherming
 

Grunberg schrijft in het stuk dat hij maakte over zijn verblijf bij de instelling dat hij niet te lang bij de situatie van de kinderen stil kan staan, uit zelfbescherming. ‘De kinderen zijn er niet bij gebaat als ik voor hun ogen in huilen uitbarst. Daar zit een vorm van zelfbescherming die je egoïstisch kan noemen, maar die denk ik ook wel noodzakelijk is. (…) Ik heb daar heel veel verschillende medewerkers gezien. Sommige stompen een beetje af en andere blijven heel erg betrokken bij die kinderen. Dat is bewonderenswaardig. Zij proberen een verschil te maken en kinderen en hun omgeving zo goed mogelijk te helpen. En de kinderen zo een toekomst buiten de psychiatrie, zorg en de gevangenis te bieden.’